
Trouw | Feestdag
Ik begin vandaag met een regel die feitelijk kloppend, maar wellicht niet al te opzienbarend is: kinderen zijn kinderen zijn kinderen, waar ze ook wonen, waar ze ook zijn.
Maar dan Koningsdag. Ik zal alle festiviteiten missen, deze maandag, omdat ik elders vertoef. Ik gun mezelf een dag of 12 ‘vrij’ waarbij vrij tussen aanhalingstekens staat omdat ik vooral schrijvende ben, aan mijn komende oudejaarsvoorstelling en aan een bundel gedichten en liedteksten die kort na de zomer de bestsellerslijsten moet bestormen ik bedoel natuurlijk een selecte groep liefhebbers zal gaan bereiken.
Voor mij heeft Koningsdag vooral met herinneringen te maken, en dan gaat het bijna automatisch over Koninginnedag. 30 april. Waarbij ik me nu realiseer dat mijn vader (hij was van 1933) altijd volhield dat Koneginnedag (dat was de uitspraak) op 31 augustus was en altijd hoorde te zijn, omdat die traditie inclusief datum in zijn dorp in Overijssel gewoon werd volgehouden. Omdat de lang-geleden-Koningin, ons langstzittende staatshoofd ooit, Wilhelmina, op die dag verjaarde. Beter weer ook, vaak.
Wij, zijn vele kinderen, waren met de moderne tijd meegegaan, en vierden Koninginnedag, samen met steeds meer mensen leek het elk jaar, in Amsterdam en op die laatste dag van april. Veel van mijn oranje herinneringen komen ook uit die tijd. Eén beeld dat ik nooit vergeet: ik was, begin jaren tachtig denk ik, op de Lijnbaansgracht in Amsterdam. Het was druk, het liep vol, iedereen bewoog en niemand echt dezelfde kant op. Iets verderop zag ik een man, die een plant in een pot meetorste. Vermoedelijk een kamerplant, maar dan had de man minimaal één grote en best hoge kamer. De plant was zeker twee meter hoog. Het moet zo gegaan zijn: vroeg op de dag kwam deze in feloranje gehulde man een groenverkoper tegen, randje Amsterdam-West. Of op de Rozengracht, nog mooier. Hij zag die plant, precies wat hij zocht voor zijn grote hoge kamer, en vanwege de feestdag heel redelijk geprijsd. 15, misschien 20 gulden, denk ik. Die kón hij niet laten staan. Met als gevolg dat hij de rest van de dag, ik zag hem rond een uur of 11 ’s ochtends, met dat kleine stuk oerwoud door een steeds maar groeiende en dronken-wordende menigte ging laveren. Om uiteindelijk met die plant en die iets te zware pot in een veel te volle trein te stappen om….ik was zo blij dat ik niks hoefde en niks zou kopen. Mensen kijken en overleven, dat was voor mij voldoende. En blijven staan bij rammelende bandjes, waarvan je geregeld dacht dat ze maar 1 keer per jaar speelden, maar dat dat hun enthousiasme niet minder maakte.
Het mooist vond en vind ik altijd de kinderen, de twee meisjes met viool in het park, de vriendjes die zelf iets onduidelijks gebakken hebben en na elke succesvolle verkoop hun euro’s tellen, de broers die een behendigheidsspel bedacht hebben en steeds brutaler worden in het ronselen van deelnemers. De lol, het samen vooral. Je zou het vandaag de kinderen op de Westbank, in Soedan, in Beiroet, in Iran, in Myanmar, in Dnipro, in Gaza ook zo gunnen. De lol, het samen, de veiligheid vooral. Want kinderen zijn kinderen zijn kinderen, waar ze ook wonen, waar ze ook zijn.