
Trouw | Wees geraakt
Soms komt een zin, een uitspraak, zomaar keihard binnen. Deze krant schreef ruim een week geleden over de volstrekt tekortschietende opvang voor vele duizenden kinderen in ons land, kinderen van asielzoekers of vluchtelingen of ‘illegalen’, kinderen die na duizenden kilometers en bijna-fatale golven en ongekende angst, om over mensensmokkelaars en ander tuig nog maar te zwijgen, hier terecht zijn gekomen. In het artikel werd duidelijk dat ons beschaafde welvarende land – met die Joods-Christelijke cultuur, weet u wel, en al die prachtige eigenschappen die vooral beschermd moeten worden tegen invloeden van buitenaf – deze kinderen vreselijk behandelt. Ze verblijven op plekken die noodopvang genoemd worden, dat kan zijn met een gezin op een hotelkamer, dat kan ook zijn in een sporthal of evenementenhal.
Waar met behulp van kabels en stukken plastic of stof een soort ruimtes zijn gecreëerd, waar plekken zijn om te slapen, waar tekortschietend sanitair is, waar heel veel mensen langdurig dicht bij elkaar zitten. En liggen. En zijn. Waar eten is en een dak boven het hoofd, en soms een lauwe douche, en verder helemaal niks. Behalve natuurlijk wanhoop en onzekerheid. En dat maandenlang, jarenlang zelfs
De zin die me zo raakte kwam van Sara. Ze zei: ‘Ik wil een kamer hebben met muren en een plafond waar niemand mij kan horen huilen’.
Mijn enige vraag aan u: denk even aan uw eigen kind, of kleinkind, en probeert u zich de wanhoop, het leed, de angst, voor te stellen die achter die ene zin van Sara schuilgaat.
Afgelopen week, want er komt nog meer, las ik Oorlog overleef je nooit alleen, van Marjolein Visser. De afgelopen twee jaar was ze heel vaak in Ter Apel, en u begrijpt dat ik niet het dorp bedoel. Ze zou er één keer heengaan, om wat creatieve dingen te doen, maar kon zich niet losrukken. Wílde zich niet losrukken. Ze ging, eerst met vrouwen, later ook met kinderen, schrijven, tekenen, kleuren en theedrinken. Ze ging luisteren, en praten. Niet dat ze Farsi, Dari, Russisch, Turks en alle vormen Arabisch allemaal machtig is, nee, alles ging via vertaalfuncties op phones, soms langs drie of vier verschillende talen, omdat de vrouwen in ‘de opvang’ elkaar heel vaak helpen en steunen, omdat bijna alle kinderen een soort volwassenheid tonen die hun kracht weergeeft, maar ook laat zien dat ze nooit kind konden zijn, nooit kind zullen zijn. Omdat ze dood en geweld hebben meegemaakt, vreselijke vluchtverhalen hebben, omdat ze zelf geslagen of gemarteld zijn, omdat ze verantwoordelijk zijn voor een broertje of zusje.
De vrouwen schrijven brieven aan een geliefde, vaak niet meer in leven of op onbekende plek. De kinderen tekenen, krijgen handvatten om met hun nachtmerries om te gaan, en laten uiteindelijk hun fantasie de vrije loop. Milo van 12 die een machine wil bouwen om de tranen van zijn ouders weg te toveren, Mahmoud van 10 die een kleurrijk paard fantaseert dat hem redt als de slechte mannen komen.
Als het, in de politiek, weer gaat, over ‘de instroom’ en ‘de asielcrisis’ en de aantallen, bedenk dan dat we praten over mensen, over kinderen. Dat we praten over beschaving, en hoe hard we die nodig hebben.
