Inhuren
Inhuren
18/09

Dit is wat we doen

Column

Verschenen in Diversen op 18/09/2007

(30 juni en 1 juli 2007)

Dame Street, hartje Dublin. In de wandeling van tien minuten van hotel naar deze plek kregen we slechts een buitje over ons heen. Direct aansluitend was het weer gewoon 21 graden en hoogzomer. Four seasons in one day is het niet, maar three seasons in half an hour is hier bijna normaal. De stad bruist, de buskers spelen, het zilvergespoten levende standbeeld strekt urenlang zijn blikje Guinness naar de passanten en we hebben goddank al zeker een uur geen vrijgezellenfeestje zien langsstrompelen.

The Olympia Theatre blijkt een plek waarvoor het begrip vergane glorie is uitgevonden. Een vaalwitte gevel, opgevrolijkt met twee van die ‘dit is een theater’-maskers. Wij mogen door een steeg, langs Brogans bar en een Chinezig restaurant waar de Keuringsdienst zo te zien al een tijdje niet aan toegekomen is, naar de zij-ingang. Eerst netjes in de rij, dan naar binnen, vier, vijf, zes stenen trappen op, tweede balkon. Rood velours, lampenkappen, versleten tapijt op de vloer, stoeltjes die nog wel klappen maar in 1988 voor het laatst bekleed zijn, en daar beneden het podium. Ik kan het niet geloven, we kunnen het niet geloven. Dat daar over anderhalf uur…alsof je op het balkon van de Kleine Komedie een plekje hebt en dan REM op komt om…ik kan het nog niet geloven. Ik bedoel, REM is niet zomaar een bandje. Begin jaren negentig noemde Rolling Stone ze, op de cover, al the best band in the world. Ze trokken hun eigen plan sinds de eerste liedjes begin jaren tachtig, in Athens, Georgia. Ze schreven klassiekers van Driver 8 tot Man on the moon, van Everybody hurts tot Losing my religion, van It’s the end of the world as we know it (and I feel fine) tot Outsiders. En ze wilden pas in de Rock’n Roll Hall of Fame opgenomen worden nadat die eer ook aan Patti Smith te beurt gevallen zou zijn.

Precies om acht uur loopt een man met gitaar het podium op, het blijkt David Kitt te zijn, Ierse zanger, hij brengt een stapel gruizige liedjes mee die mij aan Snow Patrol voor het grote succes doen denken. Hij vertelt dat hij vanaf zijn 15e groot fan van de band van de avond is en eigenlijk niet kan geloven dat hij nu…hier…ik begrijp precies waar hij het over heeft.

Het is net over negenen. Ik geloof het nog niet. Natuurlijk, er staan wat flightcases met REM erop. En er wordt zo’n klein model lessenaar ingechangeerd. Zo’n ding waar Michael Stipe altijd al zijn teksten op legt. Ook al speelt hij tijdens een greatest hits tour liedjes die hij al 100, 200, 500 keer zong. Ik denk dat hij het gewoon een lekker gebaar vindt, aan het eind van een liedje zo’n tekstvel weggooien. Het REM-podium is tegen de toegift meestal bezaaid met verbruikte (gezongen) A4tjes.

Een paar minuten later wordt er een laptopje gezet op de flightcase naast de microfoonplek. Arctic Monkeys zongen ooit anticipation has a way of setting you up for disappointment, maar we hebben steeds meer het gevoel dat dat ons vanavond, hier, niet gaat gebeuren. Kwart over negen, zondagavond 30 juni 2007, vijf mannen wandelen het halfdonkere podium op, het Olympia Theatre juicht, schreeuwt, joelt. Verfschilfers uit de vroege jaren zestig fladderen voorgoed van het plafond naar beneden. Ik kijk, ik zie, ik moet nu het wel geloven. Een kleine man – wit overhemd, kale kop, zwarte bril – zwaait naar ons en zegt iets in de microfoon. Michael Stipe. Links pakt Mike Mills, bassist met wilde krullen, een megafoon en roept ook iets naar de zaal. Noch het microfoongeluid noch de megafoon bereiken ons. Dit is een rehearsal, herinneren we ons, een try out. Alles wat we te horen krijgen is meegenomen, zo voelt het. Uitverkoren, zo voel ik me.

Stipe opent de laptop, pakt een tekstvel, mompelt wat, zet zijn bril af en toch maar weer op, mompelt nog wat, de drummer tikt af, Peter Buck’s gitaar giert en we horen een liedje. Een liedje dat we niet kennen. Stipe zingt met zijn ogen strak op het scherm van de laptop, linkerschouder naar de zaal. Ik ken dit liedje niet, niemand kent dit liedje, dit is voor het eerst dat iemand buiten de band-cirkel dit liedje hoort. Als het nummer eindigt uit ik mijn emotie door met een oerkreet op te springen, hoog op het tweede balkon. Stipe trekt zich daar vanzelfsprekend niks van aan. Hij verdiept zich al in een volgende tekst, een volgend liedje dat nog niemand kent. En staan mag trouwens helemaal niet, op dit balkon. Laat staan enthousiast opspringen. Of dansen, godbeter het. Dat kan dit balkon echt niet hebben. En dat terwijk ik alle REM-optredens die ik zag, de afgelopen 15 jaar, dansend-à la Stipe heb doorgebracht…

Hij kijkt de zaal in en zegt, nu perfect verstaanbaar, we are REM and this is what we do! Dat hoorden we hem vaker zeggen, die afgelopen jaren. Zoals Luka Bloom altijd na een verlegen openingsapplaus met een grijns zegt my name is Luka Bloom I’m from Dublin, Ireland, won’t ya give us a warm welcome please! Altijd voldoende voor een dik applaus en een hoop gebroken ijs.

Stipe vervolgt this is not a show, this is a rehearsal. Ook dat levert de band een storm van applaus op. Ik denk dat de andere 800 nu ook door hebben dat het echt is: REM repeteert, speelt nieuwe liedjes die vaak nog niet eens af zijn, en wij mogen daar bij zijn. Stipe bedankt Bono en the Edge – twee Ierse muzikanten die ook een bandje hebben en kaartjes voor deze avond hebben weten te scoren – omdat ze hem in staat hebben gesteld te blijven doen wat hij het allerliefste doet, op een podium staan, liedjes maken en zingen, zijn emoties en gedachtes delen met iedereen die maar wil luisteren, iedereen die maar de moeite wil doen iets dieper te luisteren dan de oppervlakte. Van het lied, van het gevoel. In het uur dat volgt luister ik dieper dan ik ooit geluisterd heb. Living well’s the best revenge, Horse to water, On the fly, Tomorrow, Staring down the barrel of the middle distance – als ik Jackknife Lee was, de man die het nieuwe album gaat produceren, zou ik achter in de zaal staan te popelen. En te genieten. Wat een goede liedjes, wat een vet gitaargeluid, wat een energie en zin en leven en durf.

We worden ook nog getrakteerd op oude liedjes als Maps and legends , een gierend These days, een prachtig Electrolite, een lied waarvan de tekst fifteen minutes earlier werd voltooid waardoor ook Mills en Buck deze avond iets te horen krijgen dat ze nog nooit hoorden, een liedje dat volgens Stipe’s aankondiging vast het nieuwe album niet gaat halen (Mills lijkt daar anders over te denken, ik wil in het slotakkoord schreeuwen ‘that’s the first single!’), meerdere momenten van aftikken en dan toch nog even overleggen, en, vertederend eigenlijk, de blik van Stipe op Buck bij het intro van werkelijk elk nummer…hoe beginnen we deze ook alweer? welke toonsoort? waar val ik in? We weten bijna niet waar we moeten kijken, hoe we alles in ons op kunnen zuigen. That is REM and this is what we try to do.

De tweede avond is de hele setlist omgegooid, spelen ze andere oude liedjes (Drive, Little America) en klinken bijna alle nieuwe liedjes ons al vertrouwd in de oren. De sfeer is wat losser, er wordt meer gepraat met het publiek – een meisje roept bij een ander liedje dat dat de single moet worden, Stipe antwoordt ‘there’s not a radiostation in the known universe that would play that song!’ en net als ik wil roepen ‘I would!!’ mompelt hij al ‘…ah, fuck em!’ – George Orwell wordt aangehaald en Gavin Friday, wij dansen onze Stipe-moves zittend in de stoeltjes. Ergens parafraseert hij zijn eigen tekst: we are REM and this is what we do….when nobody is looking.

Veel bands die hun vijftiende of twintigste verjaardag voorbij zijn, laten zelfs de vergane glorie achter zich. Ze zijn er nog, maar daar is eigenlijk alles mee gezegd. Voor REM gaat de echte glorie nog beginnen. Ik kan het nauwelijks geloven, maar ik was erbij.