Dolf Jansen

Columns

Zon boven de Afsluitdijk

Verschenen in Volkskrant Banen op

De wekker liep vroeg af, vanochtend. Niet dat hij er vroeg uit moet, maar zijn vriendin begint om 8 uur. En dat is vroeg, als je zelf de avond ervoor uit een theater ver weg terugreed naar huis. Meestal is het tussen 12 en 1 voordat hij thuis is, dan nog even hangen op de bank, flardje Pauw of Witteman wellicht, een versnapering met schuimkraag....het was half twee voor hij het dekbed raakte. En dan is, inderdaad, kwart voor zeven wat vroeg. Vooral omdat zij de wekker niet een, niet twee, maar drie keer laat ratelen voordat ze haar lichaam in naar de douche sleept. Tuurlijk, hij houdt van haar, maar deze dag gaat hem naar Schouwburg Groningen voeren, dus wordt het vannacht vast nog later dan gemiddeld. En zou enige slaap tussen zeg nu en tien uur best goed uitkomen, schatje....

De stad waar niets boven gaat – of was dat de hele provincie? – is 90 minuten rijden, zag hij vannacht op dat apparaat in zijn dashboard waarmee hij het hele land weet te doorkruisen. Anderhalf uur, dan neemt hij er twee. Want jakkeren om op tijd in het theater te zijn, daar houdt ie helemaal niet van. Laatst, onderweg naar Doetinchem, reed hij nog de hele provinciale weg netjes 79 kilometer per uur. Omdat hij ruim op tijd was, en omdat Camiel Eurlings al die 80-borden natuurlijk niet voor niks langs die weg had laten zetten. Tegen de tijd dat de prachtige provincieplaats werd bereikt had hij zeker 28 auto’s aan zijn achterbumper hangen, maar hij kwam volstrekt relaxed en toch nog een kwartier te vroeg Amphion binnen.

Hij doorkruist noord-Holland en slaat bij Den Oever rechtsaf. Den Helder was hij vorige week al. Radiohead speelt hem richting Friesland. In rainbows heet de spannende prachtplaat, maar vandaag doet hij het met alleen de winterzon. Het Ijsselmeer lijkt wel van zilver, hier en daar steken fuiken uit het water, in de verte zijn twee boten onderweg, zo nu en dan suist een automobilist die wel haast maakt hem voorbij, hij zoemt het raampje even open om de koude winterlucht ook echt te ruiken.

Als ik hem een paar uur later tref – nadat hij alle lampen op hun plek heeft laten hangen en mijn microfoons heeft gecheckt en ons decor heeft ingehangen en de dirigentenkamer als kleedkamer heeft ingenomen – is hij nog net zo rustig als toen hij rechtsaf de Afsluitdijk opreed. En dan beschrijft hij me, in een paar woorden, hoe de zon boven die dijk kan hangen.