Dolf Jansen

Columns

Beelzebub’s paleis

Verschenen in Volkskrant Banen op

Voordat wij Californie bereikten, moesten we nog even naar de Nederlandse Antillen. (We is mijn gezin, de Antillen liggen Boven- of Beneden-winds, en zijn ooit door Nederland ontdekt of veroverd of ingenomen of anderszins gejat van de mensen die er al woonden. We zijn er vooral zout gaan winnen, en dan nog iets met slavernij en onderdrukking. Gezellig!).

Na twee tours met mijn band door theaters in Nederland, mochten we nu voor het eerst overseas optreden. Op een strand, ergens op Curacao. Zaterdagavond, fijne temperatuur, sterrenhemel, podium met de rug tegen de branding, en 600 wild-enthousiaste vakantiegangers, pensionado’s, mariniers en zeilers als betalend publiek. Waarna het ging regenen. Het regent daar niet vaak, maar als het regent wel hard. Tropiese regen, wat mij deed besluiten lekker door te spelen, het bleef namelijk 24 graden, en zo vaak sta je niet met je bandje op een absolute toplocatie. Ik moest alleen ons publiek zo’n beetje fysiek dwingen te blijven zitten, want op de Antillen is een regel, kwa gezondheid: van regen wordt je nat, van nat wordt je ziek. Mietjes!

En dat heb ik ze verteld ook, plus dat dit echt geen regen was, plus dat het in Nederland op dat moment min twee was met natte sneeuw, waarna ik doorvertelde dat Arie (mijn onvolprezen bassist) iets had vernomen van Antillen en bolletjesslikken, en dat leek hem ook wel wat, waarbij het alleen jammer was dat hij al die bolletjes had geslikt voordat hij naar Willemstad vloog, wat toch niet echt de juiste volgorde is. En toen kwam alweer ‘Leven voor altijd’, onze komende zomerhit, en werd het weer droog, en ging het pas tien minuten later weer regenen, maar toen was er echt niemand die nog durfde op te staaan, of weg te gaan. Een kleine twee uur hebben we gespeeld, op een volledig open podium, wat bij elke (dreigende) volgende bui door de geluidsmannen van dienst werd afgedekt met een immens blauw zeil, waaronder dan ook alle instrumenten en de band verdwenen. Heel gek, maar ik denk niet dat Bono dat ooit meemaakt...

 

Zoals hij ook vast nooit het reisschema Amsterdam-Washington-Miami-San Juan (Puerto Rico)-Willemstad-Miami- Denver- LA heeft gevlogen. Omdat dat de enige manier was onze (voorlopige) eindbestemming te bereiken, via de Antillen.

Geeft niks, we vlogen op tijd en zijn gek op vliegtuigvoedsel, maar een ding hebben we wel geleerd: Miami is Beelzebub’s paleis. Althans, Miami International Airport. Het systeem is als volgt, je landt, je verzamelt je bagage, je glimlacht je door de douane heen (Arie was, leeg, alweer op weg naar Schiphol) en wordt dan verwezen naar een uitgang waar de busjes komen die je naar het hotel brengen. Het airport-hotel, door het meisje van het reisburo voor je uitgezocht. Waarbij airport-hotel in Miami alles betekent dat in een straal van 80 kilometer van dat vliegveld ligt, maar daarmee over het algemeen nog wel in de staat Florida. Maar dat wisten we nog niet, want het busje kwam niet. Je staat buiten, in het bijna-duister, en in een bijna constante stroom rijden er busje en bussen voor je langs. Busjes met opschrift. Waarin je dan je eigen hotel moet zien te ontdekken, die echt allemaal iets van Courtyard of Resort heten, gecombineerd met Airport vanzelfsprekend, maar die busjes rijden door, behalve als je je hand opsteekt en keihard schreeuwt, waarna ze wel stoppen, en dan blijkt het een ander hotel te zijn, en wordt je minachtend bekeken in een walm van uitlaatgassen en verschroeiend rubber. En dat gaat maar door, en door. Wij hebben dik anderhalf uur gestaan, ik denk een stuk of 200 busjes langs zien komen maar ons specifieke Best Western(-busje) was er gewoon niet bij. En je blijft uitkijken, en hopen, en schreeuwen en voelt de wanhoop toenemen. Uiteindelijk gaven we het op, gingen een trapje lager naar de taxi’s, die er niet waren (nog veel meer geschreeuw, en walm en rubber), en toen we er uiteindelijk een toegewezen kregen, en onze 85 kilo bagage in de achterbak lag, hoorde de chauffeur waar we heen moesten en stapte direct weer uit en begon onze koffers op straat te gooien. Echt waar! (En als u  nu aan de TCA moet denken is dat geheel uw verantwoording).

Op dat moment wist ik het zeker: Miami International Airport is de hel, wij zouden hier nooit meer wegkomen, maar tot het einde der tijden, ofwel het moment dat D66 de grootste partij van Nederland is, blijven staan, en blijven hopen op een busje dat ons mee zou nemen. Naar een plek waar een versgestreken bed stond. Zodat we de volgende ochtend, om 05.55 uur, uitgerust zouden kunnen inchecken voor de volgende vlucht.