Dolf Jansen

Columns

Valentijnsverhaal

Verschenen in Runners World op

Het was 13 februari, zondagavond, de telefoon ging. Mijn dochter. Zij viert elders vakantie, ik ben thuis aan het werk. Of ik morgen, maandag, als ik toch ga lopen, iets voor haar wil doen. Ik wil alles voor haar doen, altijd, en inderdaad, ik ga toch lopen. Het blijkt te gaan om een hart, een zelfgemaakt hart, en dat Valentijnshart moet bezorgd worden bij de jongen van haar dromen, en wel precies op de juiste dag, en door mij. Bijkomend probleempje, het is gefabriceerd ten huize van oma, dus daar moet het eerst even vandaangehaald worden, ook door mij ja, maar goed, ik ga toch lopen. Ik krijg voor de zekerheid drie keer de naam van de jongen toegefluisterd – ja liefie, die ken ik wel, dat is die jongen toch waar ik het nooit over mag hebben en als ik dat wel doe dat je dan roept ‘papa, niet plagen!’ en dat je dan wegloopt, ergens tussen boos en blozend in? - en na enig overleg met mama ook zijn adres. Waar oma woont weet ik wel, een stad verderop, en dan mag ik nog blij zijn dat het knippen en plakken niet bij andere oma heeft plaatsgegrepen want dan had ik op en neer gemoeten naar Den Helder. Ook mooi. Als je ultraloper bent.

Maandagmiddag, ik loop geheel volgens opdracht richting Amstelveen. Windje mee, waterig zonnetje zelfs, wat kan me gebeuren? Nou, vrij veel, blijkt twintig minuten later. Ik heb het hart in zo’n dun rugzakje gedaan, onder mijn jack, nadat ik het eerst even snel gekeurd heb vanzelfsprekend. Mijn dochter moet wel een beetje behoorlijk en artistiek ook voor de dag komen bij de toekomstige schoonfamilie. Maar dat zit goed: roze papier, allerlei flarden gekleurd papier daar weer op, mooi tekstje (‘een beetje veliefd op je...’), stickertjes, hartjes met pijltjes, initialen daar weer bij. Hier durf ik wel hardlopend mee op pad.

Ik val vol in de wind ergens tussen de Kalfjeslaan en de honderden weilanden verderop, dan weer pal tegen, dan schuin opzij, ik hang geregeld behoorlijk uit het lood, en probeer iets vast te houden dat lijkt op een soepele loopbeweging. Een kilometerje verderop kolkt de Amstel tussen haar oevers, zo stel ik me voor. Dan wordt het donker, alsof een zwarte wolk...ah, dat is ook zo, een gitzwarte wolk zelfs. (Het zijn deze luchten die .....me momenteel even helemaal niet inspireren, angst aanjagen is realistischer) De donkere dreiging hangt links van me, precies waar nu ook de storm vandaankomt. Waarna die zwarte zak zich opent, en ik een soort ijsregen annex natte sneeuw over me heenkrijg. Vijf minuten later is de linkerkant van mijn gezicht zo’n beetje bevroren, mijn wang en wenkbrouwen vinden dit helemaal niet leuk. Pijn, dat is eigenlijk het woord. Ik moet mijn rug naar de storm keren, omdat de pijn te erg wordt, weer een paar minuten later wordt het min of meer  droog. Ik loop door, hard-hopend dat mijn jack de regen heeft kunnen weerstaan, dat het hart niet gebroken is, zeg maar. Dat blijkt gelukt, als ik tien minuten later de opgegeven straat bereik. Mijn koude vingers hebben nog best moeite met de brievenbus, maar ik heb gedaan wat moest gebeuren.

Er liep een man door de polder, met gierende ademhaling en pijn in zijn lijf, maar vooral met het verliefde hart van zijn dochter op de rug. Mooier lopen is er niet.