Dolf Jansen

Columns

Smeersels

Verschenen in Runners World op

Het gras van Nelson is zacht onder mijn voeten, waarbij Nelson noch zeeheld noch mislukte judogreep is, maar een leuk  plaatsje in British Columbia, Canada.

Mijn vriendin wilde afgelopen zomer graag naar Canada, dus ik ook, en toen wilde ik weer graag naar Nelson (en zij dus ook) omdat in de Eenzame Planeet-reisgids iets stond over goede koffie, leuke winkeltjes en hippiesfeer. En je kon er nog lopen ook, dat stond niet in die gids, maar had ik wel uitgevonden de vijf voorafgaande weken in dat onwaarschijnlijk grote mooie land ten noorden van de VS. Ik had heuvel-trails gelopen in Kicoman Provincial Park, een lange duurloop richting Amerikaanse grens bij Waterton Lake, prachtige routes langs de kust bij Vancouver, tempo’s in de hitte bij Owen Sound, een heuvelachtige duurloop op Manitoulin Island, een hersteltraining na een tempoduurloop langs het meer waar Toronto aanligt...en nu dus Nelson. Leuk plaatsje inderdaad, koffie zeker ook op nivo ( de beste koffie van Canada vond ik overigens bij het Organic Coffeehouse op Granville Island, Vancouver), klein stapeltje boeken en cd’s gescoord, zoals dat in ons gezin heet, een hoop hippies op straat en toen bleek er ook nog een strandje te zijn, langs de rivier. Daar besloot mijn gezin de namiddag door te brengen, kon ik mooi even ‘een stukkie lopen’. Hersteltraining, omdat ik de dag ervoor twee keer een kwartier in oplopend tempo had afgeraffeld, om elf uur des ochtends (voor ‘een artiest’ is dat echt heel vroeg, kwa trainen), in een duurloop van 70 minuten, bij 26 graden. Zo, dan heb ik me wel voldoende ingedekt voor het sukkeldrafje dat ik in Nelson toepaste, denk ik. Het ging trouwens best lekker, stuk bovenlangs dat strandje, dan twee lange stukken gras, nog een flard grintpad en dan weer terug. En toen rook ik het, tijdens mijn eerste gras-rondje: een geur van lang lang geleden. De geur van het spul dat ik op mijn benen smeerde toen ik zonder enige kennis van zaken ruim 25 jaar geleden begon met lopen. Op dat grasveld stond een groep jongemannen zich op te maken voor een partijtje football zonder helmen en wat dies meer zij, maar met zo’n misvormde bal, en gepast schoeisel, en iets van smeerseltjes dus. Midalgan, is een naam die me opeens te binnen schiet, van toen (zal vast nog wel bestaan, in een ietwat opgevrolijkt flesje, of tube zelfs), maar ik gebruikte meerdere soorten, en merken. Elke avond zat ik op de kamer die ik mocht delen met mijn (grote) broer, zo’n tien uur, half elf, en terwijl hij langzaam de geheimen van de akoestische gitaar doorkreeg, kleedde ik me om, en smeerde mijn dunne beentjes in. Met sterk-ruikende olie of zalf of pasta of weetikveel, iets dat me zou beschermen tegen de kou buiten (ik liep de eerste anderhalf jaar altijd in korte broek), iets dat mijn benen warm en mijn spieren sterk en soepel zou maken. Waarna ik wegging en mijn (grote) broer nog de hele avond in die medinale meur zat. Maar goed, ik moest weer vaak horen hoe een g-akkoord niet helemaal hoort te klinken. Uierzalf (uierzalf!), dat heb ik ook nog tijden gebruikt, dat rook minder, maar was volgens het etiket wel ‘vliegwerend’ Kan nooit kwaad, dacht ik in die jaren. Al die zalfjes, al die geuren vooral, kwamen terug. Toch mooi, wat zo’n rondje Nelson je nog kan opleveren.