Dolf Jansen

Columns

Schellingwouder Brug

Verschenen in Runners World op

Een jongen was ik, maar een stille jongen. Vijftien jaar, bleek, magertjes, nog nooit iets gedaan dat niet mocht en eigenlijk ook nog nooit iets gedaan dat opviel. Afweek. Boven het spreekwoordelijke maaiveld uitkwam. Dat zou ik allemaal pas jaren later gaan doen, maar dat wist ik toen nog niet.

Nu liep ik, hard. Althans, best hard. Redelijk hard. Niet echt langzaam. De term joggen bestond nog niet en trimmen heb ik altijd een vreselijk woord gevonden. Trim u fit, aaaaaargh!

Het was een septemberavond, 1979, ik liep een maand of drie en was voor het eerst op avontuur. Voor het eerst week ik af van het vaste rondje dat ik, sinds mei van dat jaar, een paar avonden per week liep. Avonden, ja, want een beetje afwijken vond ik leuk (in sportkleding door je buurtje hardlopen, waar iedereen me kon zien, waar alle buren zich konden afvragen ‘waar is die jongen nou mee bezig?’) maar toch het liefst in het donker. Dan waren er lekker weinig mensen op straat die naar me zouden staren, dan zaten de buren vast en zeker voor het blauwige scherm te genieten van een avondje AVRO of iets vergelijkbaars. Nootjes, drankje, een kwis en vooral geen tijd om naar buiten te kijken waar die jongen van vier deuren verderop op zijn Hema-sportschoentjes langsdraafde.

Maar deze avond had ik dus gekozen voor iets van avontuur, de Watergraafsmeer uit en de Indische buurt door en dan de brug. De bruggen, eigenlijk, want er liepen (lopen) twee lange gekromde bruggen tussen Amsterdam-oost en Waterland. De Schellingwouder bruggen, een klim van 800 meter ofzo, een dito afdaling, even herstellen en dan weer zo’n stuk. Onder me het Amsterdam-Rijnkanaal en een ander water waar in zo gauw de naam niet van weet. Rechts van me het metalen hek dat me voor vallen beschermt, links van me een vangrail en twee rijbanen, boven me de felle halogeenlampen. Die er elke 25 meter weer voor zorgen dat ik door mijn eigen schaduw wordt ingehaald. Aan het eind van de tweede brug volg ik het fietspad terug naar de dijk, neem zo soepel mogelijk de trap omhoog en begin dan aan de terugweg. Ik ga, zeker omhoog, niet meer zo hard-hard, maar ik loop, ik adem diep, ik voel mijn hele lijf, mijn kuiten doen een beetje pijn maar alles doet wat het moet doen. Als ik middenin de vierde en laatste klim ben hoor ik een fietser naast me komen. ‘He Dolf’, ik kijk, het is een jongen van de voetbalclub waar ik al jaren netjes contributie betaal. Hij blijft wat naast me fietsen en vraagt dan ‘ben je aan het trainen om in de B-1 te kunnen spelen?’ Ik speel in de B-2, vooral omdat er geen B-3 is, bij onze club. Even denk ik na en hijg-zeg dan ‘nee, ik ben gewoon aan het hardlopen’. Dat levert aan zijn kant een moment van bezinning op waarna hij roept ‘nou, succes!’ en me achterlaat.

Ik wist het al, maar op dat moment wist ik het zeker: ik loop hard, omdat ik gewoon wil hardlopen.