Dolf Jansen

Columns

Perro

Verschenen in Runners World op

De eerste week van 2013 bracht ik door in Andalusie, niet ver van Canillas de Aceituno. Noem het een trainingskamp. Deed ik zelf ook. Waarbij ik toegeef dat na drie maanden touren langs theaters - en de volgende tour alweer geboekt, van februari 2013 tot juni 2014 – iets van rust (vakantie?!) ook wel goed uitkwam. En ja, ik rust het beste als ik dagelijks stevig kan trainen, een paar keer op de fiets kan klimmen en waar mogelijk ook nog mijn core stability-oefeningen in de zon kan afwerken. En dat lukte, allemaal, zeker wel.

De omgeving was heuvelachtig, de plek waar we zaten was in ernstige mate of the beaten track, zoals ze in Ierland elke plek omschrijven waar je slechts met een stoere auto en een hoop durf kunt komen. Of hardlopend natuurlijk… Laat ik het zo zeggen: elke duurloop of anderszins begon met een kilometer of drie stoffige weg met stenen en kuilen, omhoog omlaag omhoog etcetera; daarna werd ik beloond met serieus asfalt onder de schoentjes. Dat asfalt ging trouwens net zo enthousiast omhoog en omlaag enzoverder.

De zon scheen, eigenlijk elke dag, en de gemiddeld 15 graden voelden als voor-zomer. Ik zeg korte broek, ik zeg dun shirtje, ik zeg een heel klein beetje kleur op mijn uitgebleekte lijf. En aldus gehuld en gekleed neem ik u mee op de donderdagtraining: de steenslag van het abrupt-dalende tuinpad overleefde ik met een grote glimlach, rechtstaf slaan ging best ontspannen, daar was het eerste heuveltje al… In Andalusie bestaan geen vlakke wegen, denk ik nu vrij zeker te weten. De tweede heuvel, 400 meter verder, voelde ik al in de bovenbenen. Hoewel dat natuurlijk ook de dinsdag- of woensdagtraining geweest kan zijn. Een paar bochten verder had ik het idee dat er iemand (iets?) achter me aan kwam. Hond…honden…? Ik hoopte heel erg van niet, – ik ben niet meer zo bang voor honden als vroeger, want ze doen niks hoor, maar toch, maar toch – het was wel zo. Honden. Twee. Zeer snel en zeker zo snel op me inlopend. Twee stofwolkjes meldden zich aan mijn weerskanten. Inclusief blaffen, open monden, priemende ogen gericht op mijn doorbloede kuiten. Maar….ze deden niks, uitroepteken. Althans, ze liepen mee. Naast me, voor me, achter me. Anderhalve heuvel verder hield het zwarte exemplaar het voor gezien, de bruin-witte hield vol. Ook toen ik een paar minuten later de doorgaande weg bereikte, ook toen ik hem lief doch beslist toeriep dat ie terug moest, naar zijn casa. Bocht na bocht na bocht bleef hij lopen, tong uit de bek, soms een minachtende blik op een passerende auto. Twee kilometer later: Sedella. Dorp waar ik langs moest, op weg naar volgende stijgende stukken asfalt. Ik begon me af te vragen of mijn nieuwe vriend de hele training mee ging maken. En of hij dat aankon.

Aan de rand van het dorp was een soort café. Taverna, zoiets. De hond sloeg af, remde af, ging voor de (gesloten)deur liggen. En keurde mij geen blik meer waardig.

Ik dacht aan de vaste duurloop van zijn baasje, en liep de rest van mijn training met een grote glimlach.