Dolf Jansen

Columns

Meneer Barel

Verschenen in Runners World op

Vorige maand viel ik u op deze plek lastig met mijn zoektocht naar de topvorm, maar omdat u net van vakantie binnenkomt heeft u dat vast nog niet gelezen. Het was iets met zuurstofmaskers, hogelucht-tenten, verlengsnoeren en tepelklemmen. En het was heerlijk! Maar de topvorm had ik nog niet. En dus begaf ik me, half augustus, samen met Lebbis, richting Font Remeu, om daar een week te werken, zo nu en dan onderbroken door een traininkje…

We kwamen terecht in de selectie van Hest slash Nederlandse triathlon, hetgeen betekent dat je of een keer of twaalf per week de loopschoentjes aangordt, ondersteund en aangemoedigd door vader/coach/levensgenieter/filosoof Ad van Hest, of dat je wat minder loopt, maar in ruil dan wel  bijna elke ochtend voor zevenen in het zwembad ligt, en een paar uur later een kilometer of 100 over wat bergjes heenfietst, hierin ondersteund door een Friese fysiotherapeut, die zo stevig is gebouwd dat hij zonder moeite grote bierglazen in zijn mond kan laten verdwijnen.

 En dat ook doet. (Even voor mijn Vlaamse lezers: in Friesland zijn vele ‘Nederlanders’ samengebracht die enigszins afwijkend gedrag tentoonsprijden: fierlejeppen, schaatsen tegen de wind in, kaatsen en Heineken-happen. En Hans Wiegel ook).

Die triatleten zijn trouwens meestal vrouwen, en niet de minste, en hoe die naast vijf, zes uur trainen per dag nog de tijd vinden het huis een beetje aan kant te houden en de boodschapjes te doen mag een godswonder heten, waar nog bijkomt dat ik van zo’n week zuurstofgebrek natuurlijk hele rare dingen ga zeggen. Staan twee zeemannen op de kade, de ene staat vreselijk te kotsen, zegt die ander ‘sterk spul he, die chemo-therapie…’

 

De nestor van ons gezelschap was Rob Barel, een man die het gelukt is op 62-jarige leeftijd toch nog een keer de Spelen te halen. Zowel Lebbis als ik zijn erin geslaagd meerdere malen rondjes thee en koffie te krijgen van meneer Barel, waarna wij dat lekker opslobberden en hij zichzelf nog maar eens een straftraininkje oplegde.

De ‘selectie’ werd gecompleteerd door een triathlon-talent van Limburgse kunne, het triathlon-talent van een onzer Antillen, een looptrainer die wanhopig achter de triathleten aanfietste om dan de volgende ochtend uit te hijgen aan het zwembad- inderdaad, om 7 uur ’s ochtends-  en een Deen die was komen aanzwemmen en nooit meer weggegaan.

Ik trainde op de prachtig gelegen atletiekbaan, waar het internationale karakter nog duidelijker werd: tijdens het uitlopen werd in het groepje waarin ik meehobbelde Frans gesproken en Engels en Brabants en Algerijns. Een van de Algerijnen die geregeld meetrainde werd door ons Heino genoemd, vanwege een felwitte haardos en een donkere zonnebril. En hij kon ook niet zingen, zo bleek na een pittig tempo-programma, toen hij tijdens het uitlopen luid het Algerijnse volkslied ten gehore bracht. Hij had ook zijn eerste Nederlandse lesje gehad en onderbrak dus de hymne zo nu en dan om heel hard ‘ik kom klaar!!!’ te roepen. Echt, als je net 8 keer 600 hebt gelopen, op hoogte, rond de 1.50 en ook nog met meneer Barel, dan is dat heel erg grappig.

 

Mijn zwaarste training legde ik af rond een meer, een kilometer of 20 verderop, waar ik de fout maakte tijdens een tempo-duurloop de eerste kilometers met Greg en een zwaar-hijgende Franse loper mee te gaan (5 kilometer in 17.15, dat is geen trainen meer), mijn mooiste training was net boven de 2000 meter, waar het Rousseau- en het Szabo-rondje elkaar treffen. Dat de grote Vincent het ene rondje heeft laten aanleggen wist ik, maar dat het me overkwam dat ik vanuit de verte een felblond kuifje in een stofwolk zag naderen, en dat dat inderdaad de grote Gabriella was vond ik toch wel erg leuk.

 

 

 

 

 

Ik liep daar ruim een uur, helemaal ontspannen, in het zonnetje, in erg goed gezelschap, bergen links en bergen rechts, uitzichten waar Heino ongetwijfeld weer heel erg opgewonden zou raken (en anders ik wel, maar ik hou dat een beetje stil)…ik wist opeens weer wat runners’ high was. Fantastisch!

Om weer met beide benen op de Pyreneen-grond te geraken bezorgde ik mezelf op dezelfde dag nog een swimmers’ low, waarvoor ik niet veel meer hoefde te doen dan het zwembad van Olympische afmetingen te betreden en wat ‘baantjes te trekken’…een aantal internationale topcoaches zag mij in het water en weigerden hun pupillen in de buurt te laten komen uit angst dat ook maar iets van mijn stijl, paniek of volledig gebrek aan snelheid op hen zou overslaan. Mijn zwemmen zit ergens tussen een watertrappelende epilepticus en een verdrinkende hond in, maar goed, dit is een loopblad.

 

Ik had een topweek, trainde me een slag in de rondte, deed alsof ik ook naar Sydney mocht, heb weer meer rode bloedlichaampjes dan ooit en ben niet verdronken! En als meneer Barel goud wint, mag hij ons nog een keer een rondje geven.