Dolf Jansen

Columns

20-25

Verschenen in Runners World op

‘Elke marathon is anders. Anders dan elke vorige marathon, anders ook dan alles wat je je had voorgesteld, alles waarop je je had voorbereid. Natuurlijk, elke marathon brengt je pijn, hoop en wanhoop, en vreugde ook, maar nooit op dezelfde momenten, nooit op dezelfde manier.

 

Elke marathon levert je een litteken op, maar wel een mooi litteken. Een litteken waar je trots op kunt zijn, een litteken waar je nog geregeld over praat, vaak met andere ‘gewonden’. Een loper kan zomaar in een gesprek met een andere loper verwijzen naar de Midwintermarathon van 1997, of een heuveltraining bij 27 graden ergens in Portugal ruim anderhalf jaar geleden. Het zit in het systeem, in het geheugen van de loper. De plekken, de momenten, de zwaarste trainingen, de ontmoetingen, de prestaties (op welk nivo dan ook), de tegenslagen, en zeker de marathons. Juist de marathons.

Omdat de marathon het summum is van alles wat lopen tot lopen maakt, de hoop en wanhoop, de pijn en de vreugde. Prachtig! Vreselijk!’

 

Dit schrijft hij op, een paar weken na zijn laatste marathon. Of nee, zijn meest recente marathon, want hij was nooit het type loper geweest dat direct na de finish luid en duidelijk verzuchtte ‘dit nooit meer, dit was echt de allerlaatste keer...auwauwauw!’. De beroemdste sporter die dat ooit zei, met de camera’s van de natie op hem gericht, was roeier Steven Redgrave, die na zijn derde Olympische gouden medaille de woorden sprak ‘als iemand me ooit nog in de buurt van een roeiboot ziet mag ie me neerschieten!’  Een jaar later was Redgrave weer volop in training, weer drie jaar later won hij voor de vierde keer Olympisch goud. Vermoedelijk zei Redgrave het, achteraf, om zijn vrouw een jaar lang heel gelukkig te maken. Daarna was ze weer gewoon drie jaar getrouwd met een afgetraind wrak met een rusthartslag van 34, beblaarde handen en beeelte billen van dat keiharde bootbankje.

Maar goed, hij is geen Redgrave, hij is ook geen ‘dat nooit meer!’-roeper. Hij finisht en probeert nog-net-lopend een plek te bereiken waar hij kan gaan zitten, of nog liever liggen. Rust voor de voetzolen, met simpele signalen aan de beenspieren doorgeven dat het erop zit, proberen aan de ingewanden duidelijk te maken dat er voorlopig geen sportdrank of ‘slappe cola’ meer in zal vloeien, de ademhaling terugbrengen naar wat het ooit was, met hort noch stoot noch kreun, gewoon diep rustig ademen en die zuurstof gebruiken om door te leven, niet alleen om door te lopen.

Na de finish begint voor hem een periode van drie weken die voelt als vakantie. Herstel, in de vakterm van de loper die er wel eens iets over leest. Drie weken waarin alles mag en niks moet, wel lopen of niet, kort lopen of niet te lang, extra eten, uitrusten als het ‘normale leven’ dat toestaat. Freewheelen. Rieleksen. Chillen waar mogelijk. Ja hoor...chillen, hou toch op, de enige Engelse woorden die hij kent zijn stopwatch en Nike. Zoals zijn Zweeds zich beperkt tot fartlek, en zijn Keniaans tot pole pole. Dat hoorde hij Jos Hermens ooit vanaf de motor roepen tegen de kopgroep (op tv natuurlijk, hij loopt nooit in kopgroepen van Oost-Afrikaanse samenstelling), en betekent zoiets als ‘rustig aan mannen’, waarbij rustig aan dan iets betekent als 3 minuten per kilometer. En dat is weer twintig kilometer per uur.

 

Hij droomt wel van Afrika, vaak. Hoe het is om daar een tijd te wonen, de lucht te ademen die van tientallen Kenianen en Ethiopiers kampioenen en legendes maakte, de paden en paadjes, de dirtroads, het rode stof, de kinderen langs de weg die je iets naroepen (he blanke man, leuk geprobeerd maar alleen al bij ons in de klas zitten er tien die harder gaan...en dat zijn meisjes van 14!), of, erger nog, een stukje met je mee lopen, en dan bovenop de volgende heuvel nog even op je wachten om je netjes gedag te zwaaien...Afrika!

 

De kostschool van die Ierse priester waar ze meer Olympische atletiekkampioenen hebben opgekweekt dan er bomen in de tuin staan, de atletiekbaan van Iten die hem altijd doet denken aan de gravelbaan waar hij zelf, vijfentwintig jaar geleden, zijn eerste intervalletjes draaide, waarna hij volledig gekleed onder de lauwe douche moest gaan staan omdat dat de enige manier was om de gravelmodder weggspoeld te krijgen van zijn Hema-trainingsbroek...Afrika!

 

De bergen vlak buiten Addis waar je zomaar een Adidas-treintje tegen kan komen, met Gebrselassie of Sihine, en met ongetwijfeld twee, drie jonge jongens die vast van plan zijn nog iets beter te worden dan die illustere voorlopers, en als de zon gaat zakken mag je hopen dat je bijna ‘thuis’ ben, want schemering doen ze niet aan, in Afrika. Uitroepteken.

 

Hij droomt, want hij is er nooit geweest. Tuurlijk, hij zag de beelden en de foto’s, hij sprak andere lopers die er waren, hij hoorde verhalen en probeerde zich voor te stellen hoe het zou zijn alles in een soort slow motion te doen, omdat dat het tempo van Afrika is (behalve dan het tweede deel van de ochtendduurloop van kwart over zes, dat mag gewoon in negentien per uur).

Er was een dorp, met een centrale waterpomp. Belangrijke plek, belangrijke pomp. Op een ochtend stond een vrouw te pompen, ze hoorde een geluid dat ze normaal, al pompend, niet hoorde, en de pomp stopte met pompen. Zij had ondertussen bijna al het water dat ze nodig had, maar vertelde toch aan een volgende pompklant dat de pomp net, al pompend, een geluid maakte dat hij normaal niet maakte. En dat ie, volgens haar, maar zij wist er niks van, niet meer zo goed pompte. Of zelfs helemaal niet. Een half uur en vier vrouwen met een lege emmer op hun hoofd later wisten ze het zeker: de pomp had een geluid gemaakt dat ie normaal, al pompend, niet maakte, en nu was de pomp uitgepompt. Helemaal.

Wat nu? Er werd wat gebabbeld, er werd wat nerveus gelachen, er kwamen wat mannen langs, maar die waren met hun vroege-middag-training bezig en mochten dus doorlopen zonder enig pomp-nieuws. Een van de vrouwen besloot haar zus erbij te halen, die was ooit een paar jaar in Nairobi geweest, en wist nogal veel. Een kwartier(?) later was zus er, met haar man, want die trainde niet, en al snel werd definitief duidelijk wat er aan de hand was: het geluid dat de pomp al pompend had gemaakt, het geluid dat de pomp normaal niet maakte, was het geluid van een in tweeen brekende metalen ring, en zonder die ring ging alles door, in het dorp, in de wereld, behalve het waterpompen. Dat ging echt alleen met die ring, of eigenlijk met een nieuwe, want deze was kapot, stuk, in tweeen en daarmee reddeloos verloren. Wat nu, once again?

Het halve dorp, ondertussen verzameld bij de pomp, keek elkaar aan. Iemand stelde voor in plaats van water dan voortaan alleen maar bier te nuttigen, nood breekt tenslotte wetten, iemand anders vertelde een behoorlijk schunnig verhaal over twee naakte meisjes in een rivier, weer iemand anders wist vrij zeker dat in H., de naburige stad, een smid annex ijzerwinkel annex internetcafe was, waar ze ringen in alle soorten en maten verkochten...daar moesten ze toch de ring hebben die ervoor ging zorgen dat hun pomp weer water ging leveren, maar vooral ook geen geluiden meer zou maken die het hele dorp in de war brachten. Kijk, daar hadden ze wat aan. Nu nog een manier bedenken om in H. te komen, toch een kleine veertig kilometer verderop. Het taxibusje (bestelwagen met losse banken) leek de manier, maar dan moest de chauffeur betaald worden, en zo’n ring zou ook wel wat kosten. Hier en daar kwam wat geld tevoorschijn, twee in het dorp verblijvende Nederlandse lopers droegen maar al te graag de rest bij, twee dorpelingen werden afgevaardigd en korte tijd later vertrok het busje. Rammelrammel, bonkbonk, het dorp uit in de richting van de behoorlijk-doorgaande weg naar H.

Nog voor de avond viel was het busje terug, met de ring, en zelfs met de smid annex ijzerboer annex e-leverancier, want die was al zo’n tijd niet in het dorp teruggeweest, en zou die ring wel even plaatsen, als hij dan morgen maar even een lift terug kon krijgen naar H.  Kortom, nog voor de grote avond-activiteit van koken (en herstellen van de vooravond-training), stond de pomp weer te pompen alsof ie nooit anders had gedaan. En was er weer water voor iedereen die daar behoefte aan mocht hebben...

Zou hij dat pole pole-leeftempo aankunnen, hij met zijn volle agenda en zijn afspraken en zijn gedoe, zou hij voldoende hebben aan een stapel boeken, een ipodje en een paar schrijfblokken om alles op te schrijven, samen te vatten, te verwerken.

Hij schrijft graag op wat hij meemaakt, als loper. Daarom wil hij al zo lang naar Afrika, om het echt mee te maken, zowel dat continent als het echte lopen. Als dat al bestond, als dat al daar bestond.

Maar er is meer: hij heeft een gevoel bij lopen, door lopen, en dat wil hij omzetten in woorden. Al was het maar omdat dat zo goed als onmogelijk is. Omschrijf eens een gevoel, dat is als de geur van een kleur benoemen, of de smaak van een geluid.

Verliefd? He, een dieper gevoel is er bijna niet, er zijn meer liedjes over geschreven dan over iets anders in het menselijk leven, maar het gevoel dat je voelt als je het voelt beschrijven is en blijft onbegonnen werk.

Verdriet dan...ook een hele grote, vaak, maar wat schrijf je op om in de buurt te komen van wat je voelt. Welk woord gebruik je om duidelijk te maken dat het door en over alles heengaat, dat niks meer mooi of fijn is omdat het grote verdriet alles afdekt, verduistert, kapot maakt.

Pijn, nog zo een. De plek kan je noemen, de vergelijking kan je maken (alsof je op slechte pumps loopt te klunen is het soort beschrijving dat de voet-actie in de laatste fase van de 42 kilometer beschrijft, en daar voel je wel iets bij, maar nog lang niet wat hij voelde op kilometer 37), het lukt nooit echt.

Maar goed, de poging is ook al vaak de moeite waarde, en dus schrijft hij over de ogen en de glimlach van zijn lief, schrijft hij over het babietje dat doodging voordat het leefde, schrijft hij over het geluk van vader en dochter, en hoe een zeebeving (een alcomobilist, een kwaadaardige tumor) dat voorgoed ongedaan kan maken, dus schrijft hij over lopen.

De jacht is mooier dan de vangst, de tocht belangrijker dan de bestemming, en wie iets vindt heeft niet goed gezocht, hoewel hij moet toegeven dat hij die laatste omschrijving niet helemaal begrijpt. Maar het klinkt goed, en het betekent vast ongeveer wat hij bedoelt. Schrijven om ergens uit te komen, schrijven om te proberen het gevoel te laten voelen, dat alleen al is de moeite meer dan waard. Zoals lopen alleen al de moeite waard is om het lopen, zonder dat je presteert of een schema afwerkt of elke dag doet wat je eigenlijk zou moeten (of willen) doen. Het lopen, daar gaat het om, niet om de bestemming of het resultaat.

Hij kan dus ook niet verliezen, want het lopen zelf is de overwinning. De overwinning op het parcours (die heuvels in Portugal in 2003, weet je nog?), de omstandigheden, de klok, de overwinning op zichzelf. Ideaal, bedacht hij zich laatst, je verslaat jezelf, door dat hele stuk of die zwaar-begaanbare route of door die storm te lopen, en alleen daardoor al ben je een winnaar. De winnaar.

 

Lopers zijn winnaars, zoveel is hem duidelijk geworden, filosoferend in zijn marathon-herstel-periode. Maar als hij dan zichzelf terugziet, op foto’s, tijdens die laatste (meest recente!) marathon, kilometer 39, ziet hij meer een joggend lijk dan een winnaar. En toch is hij dat, zo lang hij blijft lopen.

 

Hij blijft zijn hele leven een winnaar...wie kan dat nou zeggen?

 

[20-25 is een stuk uit de marathon, namelijk tussen kilometer 20 en kilometer 25: je bent op en over de helft, maar het moet allemaal nog beginnen.

Dit verhaal is dus een stuk uit, een stuk van de marathon, maar ook een stuk uit het verhaal over de marathon, over het lopen, dat Dolf Jansen gaat schrijven. Toegegeven, daar heeft hij pas in voorjaar 2006 tijd voor, maar dan gaat het ook gebeuren. Het boek gaat 42 kilometer en 195 meter heten, wellicht.

Dit is een flard, een voorproefje, een stukje inlopen...]