Dolf Jansen

Columns

Verhaal

Verschenen in NS op

Ik vertel een verhaaltje. Een verhaal. Het is geen leuk verhaal, maar het moet wel even verteld worden.

Het gaat over een boot, ergens in een haven, en de mensen die op die boot meewillen. 80 Mensen, ongeveer. Ze komen uit verschillende dorpen, en steden, in het grote arme land. Ze hebben er alles voor over om op die boot mee te kunnen. Letterlijk. Ze hebben alles verkocht wat ze hadden, en dat was al niet veel, ze hebben schulden gemaakt, ze hebben misschien beloftes gedaan, leugens verteld, gestolen of erger, met dat ene doel. Deze boot. Mee op deze boot.

Ze betalen een bedrag voor een plekje op de boot, een bedrag dat groter is dan ze zich ooit hebben kunnen voorstellen, het is meer geld dan ze ooit bij elkaar gezien hebben. Maar op de een of andere manier is het ze gelukt. Ze hebben het bedrag bij elkaar gekregen, ze hebben alles en iedereen achter zich gelaten, en nu wacht de boot. En de tocht.

Waar de tocht precies heen zal leiden weten ze niet, maar zeker is dat ze dit land achter zich gaan laten, en dat ze ergens uit zullen komen waar het beter is, ergens waar ze kansen zullen hebben, waar het leven wel te leven is. Weg uit deze armoede, weg uit deze kansloosheid, op weg naar een echte toekomst. Op deze boot.

De boot vertrekt. Twee mannen zijn de baas, over de boot, over de mensen, de tachtig zitten opeengepropt op de houten vloer, en hopen er het beste van. Na een paar uur is er de dorst, een paar uur later de honger. De twee mannen hebben genoeg te eten en te drinken, zo te zien, de tachtig delen wat ze hebben, wat gedroogd fruit, wat brood, een paar plastic flessen met lauwig water.

Als de eerste nacht overgaat in een grauwige ochtend, is het lauwe water op en komt de dorst harder aan dan ooit. De ‘stuurman’ en de ‘kapitein’ manen iedereen tot rust, de reis verloopt voorspoedig, morgen zullen ze hun bestemming bereiken. Of overmorgen.

In de twee, drie dagen erna blijkt de boot, de boot die ze allen zo graag wilden bereiken, de boot die hen weg zou voeren uit de wanhoop, de boot die hen een toekomst zou geven, die boot blijkt een hel. Een hel op de golven van een oneindige oceaan. Een paar kinderen sterven, geluidloos huilend en volledig uitgedroogd, een paar mannen springen overboord omdat ze het niet meer aankunnen, vrouwen drinken zeewater, en sterven een half uur later verkrampend van de pijn.

Uiteindelijk rest slechts de stilte, soms onderbroken door gejammer, soms onderbroken door een plotselinge uitbarsting van agressie. De ene kansloze zeereiziger tegen de andere. Een paar keer verdwijnt de verliezer over boord. De ‘kapitein’ en de ‘stuurman’ houden hun hand bij hun wapen, en beloven dat ze er nu echt bijna zijn.

Bijna...

Bijna...

Na een week, of twee weken, bereikt de boot een haven. 65 opvarenden zijn er nog, min of meer. En zes doden. Tijdens de tocht zijn nog acht mensen overleden, en zes overboordgesprongen. De boot legt aan, de 65 worden meegenomen, omdat ze illegaal het land binnen probeerden te komen, de boot verdwijnt een paar dagen later weer uit de haven, op weg naar een volgende tocht.

 

Een vreselijk verhaal, inderdaad. En er is, door mij, geen woord van verzonnen. Het stond namelijk, in een wat zakelijker versie, een paar weken gelden in de krant. Ook in uw krant. Buitenlandpagina, klein berichtje net onder de vouw. “Twintig voornamelijk Somalische vluchtelingen zijn van honger en dorst omgekomen toen ze per boot van Somalie naar Jemen vluchtten. Dat heeft de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR in Geneve bekend gemaakt. (...)”

Nou weet ik absoluut niet precies hoe de wereld in elkaar zit, maar als Jemen het land is waar je naartoe vlucht, dan denk ik dat je het niet best hebt op de plek waar je bent. Helemaal niet best.

Maar waar het me nou eigenlijk om gaat is het volgende: we weten dat dit gebeurt, we weten dat we een wereld in stand houden die zo in elkaar zit. We lezen het in de krant.

We noemen het economie of internationale afspraken, maar uiteindelijk rest, volgens mij, niet meer of minder dan onrecht. En dat in stand houden. En weten dat je dat doet. En daar op de een of andere manier mee kunnen leven.