Dolf Jansen

Columns

Nacht

Verschenen in NS op

Dat lijkt me nou zo lekker: nachtbraken. Wellicht in combinatie met het slempen van alcohol, maar daar gaat het me eigenlijk niet om. Het gaat me om doorgaan lang nadat het klokje van gehoorzaamheid (vroeger) of verstand (tegenwoordig) heeft geslagen. Sterker nog, plak lekker een kleine kneedbom aan dat klokje, en blaas het op. Weg, niks klokje, doorgaan, tot de kleine uurtjes, die je dan dus niet eens kan zien of controleren, want je klokje ligt in een kleine honderd stukjes verspreid door de plek die je ‘huis’ noemt, door tot het ochtendgloren, till the cows come home, doorrrrr! Dat je dingen doet die je alleen des nachts doet, omdat je er op andere momenten geen tijd voor hebt (of neemt!), hangen en ouwehoeren en soms gewoon een half uur of langer niks zeggen en alleen maar een beetje om je heen kijken en nadenken, waarna je in 98% van de gevallen direct aansluitend weer vergeet waarnaar je keek, waar je over nadacht, laat staat de gedachte waar je op kwam, omdat het daar niet om gaat ’s nachts, het gaat erom dat je er bent en dat je iets doet dat geen enkel nut heeft, maar soms zo nodig is. Hoe nuttelozer, des te nodig, maar dat geldt alleen ’s nachts, en heeft daarmee dus geen enkel verband met het repertoire van R. Froger of de fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer.

Het gaat mij om dat gevoel van leegte, van niks hoeven, behalve een beetje hangen en een beetje kijken, en de keel vochtig houden ook, en dan soms opeens een uur lang vlammende discussie over iets, met iemand, iets dat op dat moment kwa belang over alles heengaat, en waarvan je ook precies weet hoe het zit, en hoe het zou moeten zitten, en dat leg je dus aan iemand uit, iemand die er anders over denkt, van belang voor discussie, en die volstrekt ongelijk heeft, van belang voor jou als persoon, op dat moment. En dan na die uren ergens over straat lopen, doodstil, omdat ‘iedereen’ slaapt, het is fris maar niet koud, en als je geluk hebt komt ergens de zon op, en kan je ergens ook zien vanaf de plek waar jij je bevindt. De zon is alleen van jou, al was het maar omdat je na zo’n nacht alleen naar huis dient te gaan, liefst naar iemand die het bed warm heeft gehouden, en zachtkreunend tegen je aan rolt, en mompelt dat je niet moet gaan praten, of anderszins, omdat het voor haar, voor hem, morgen weer vroeg dag is. Wat zeg ik, morgen, straks, bijna, nu, want de nacht is voorbij. Voor bijna iedereen ongemerkt, voor jou allesbehalve.

Dat lijkt me echt heel lekker.