Dolf Jansen

Columns

Een spoor van pretzels

Verschenen in NS op

Ik ben geen zeiler. (Ik ben ook geen campeerder, VVD-er, Talpa-kijker of ...., maar daarover een andere keer meer).

Geen zeiler, dus, maar een vriendin die dat vroeger wel was in combinatie met een Californiese vriend die dan ook nog een zeewaardig jachtje bleek te hebben liggen in de marina van Ventura, bracht me onlangs weer eens op een van die vele plekken waar ik niet bij voorbaat wil zijn, maar dan toch terecht kom. Dat zeiljacht, dus, deze keer. ‘Vu ja de’ geheten. Waterig-zonnige dag, windkracht weet-ik-veel, maar zeker niet te veel, want geen witte kopjes op de golven van de oceaan (je vaart daar zo de haven uit de Pacific op...als je te lang doorzeilt moet je ‘stuurboord’ in het Japans zeggen), dus niks stond mijn zeil-doop in de weg.

De haven uitkomen blijkt nog een karwei op zich, met afduwen tegen andere (nog veel grotere) jachten, en twee keer om je as draaien, en uiteindelijk godsblij zijn dat je niks geraakt hebt, en er nog niemand overboord is gegaan. We zijn met een boot vol: mijn vriendin en de Californier (import trouwens), zijn vrouw die bijna-continu benedendeks blijft, opdat ze maar geen opdrachten van haar man krijgt aangaande oploeven of even het grootzeil taggen, hun dochter (12) die een keer of drie, vier mompelt ‘this trip was doomed from the start’ (ja meisje, en anders mijn leven wel), en mijn kinderen die beleefd over het water staren als hen daarom gevraagd wordt, en verder genoeg hebben aan het levenswerk van Willy van der Steen. En ik natuurlijk, want mijn voorstel om alvast op zoek te gaan naar een lunchtentje, terwijl zij nice aan het sailen zijn, is met hoongelach afgewezen. Sterker nog, het plan blijkt te zijn zo’n anderhalf uur langs de kust te zeilen, dan een andere haven binnen te gaan (afduwen, om je as, aanleggen, u weet wel), aldaar ergens te lunchen, en dan weer terug. En mocht het ondertussen wat onstuimiger worden, kwa wind, kwa golven, kunnen we eindelijk de pracht-uitdrukking ‘lose your lunch’ in daden omzetten. Bah Dolf!

Na een stief kwartiertje zijn we echt de haven uit en tussen alle strekdammen door en hebben we drie van die idioten op waterscooters (de Hummer van de woeste baren) ontweken, en gaan het echte zeilen beginnen. Er wordt een zeil omhooggeknald (de fok?) en een ander nog groter zeil (het grootzeil!), de boot gaat zomaar opeens een andere kant op, maar dat is de bedoeling (zeggen de zeilers), en weer een paar minuten later liggen we ‘op koers’. En zo’n beetje op de zijkant. Want een zeilboot, weet ik nu, ligt nooit lekker rechtop op het water, met eventueel hier en daar een hopsje van een golfje, nee, zo’n boot ligt continu (bijna) op zijn (haar) zijkant, waardoor de niet-zeiler a. uitermate ongemakkelijk zit op dat geinige bankje dat hij aangeboden kreeg, naast de ene zeiler, tegenover de andere zeiler (maar overal afblijven!) en b. het idee heeft dat elk moment het grote omslaan kan beginnen. Met aansluitend het grote hopen dat het zwemvest doet wat het moet doen, het grote redden der kinderen, het grote troosten wegens verdronken Suskes en Wiskes, en het grote anderhalf uur vastklampen aan een soort van boei, waar we net langskwamen en die vooralsnog in bezit is van een zonnende zeeleeuw.

Natuurlijk valt dat allemaal vreselijk mee, en heb ik dus tijd me druk te gaan maken over dreigende zeeziekte. Waar ik echt geen zin in heb, want daar wordt je zo beroerd van, naar het schijnt, dat je eigenlijk alleen nog maar dood wil, en ik heb het juist zo naar mijn zin, in het leven, in Californie zelfs. Een keer werd ik semi-zeeziek, op een stoere veerboot op de Ierse Zee, maar tegen de tijd dat ik van misselijk echt beroerd zou zijn geworden (met mogelijke dramatische gevolgen van dien) bereikten we Rosslare. Saved by the Emerald Isle!

Dit keer komt de redding uit geheel andere hoek: na een minuut of veertig zeilen - dan weer naar links, dan weer naar rechts, want gewoon rechtdoor zeilen naar waar je naartoe wilt (haven, vaste land, lunch!) kan niet, aldus de zeilers – klinkt een ijzige kreet vanuit het benedendekse. De kajuit. Dat overdekte hokje dat ruikt naar diesel en verschraald bier. De pretzels zijn gevallen, ik herhaal, de pretzels zijn gevallen! We hebben niet echt mondvoorraad bij ons (we gaan tenslotte lunchen, verderop), maar een medium-zak pretzels (een kilootje, schat ik in), lichtgezouten, is op de een of andere manier aan boord gesmokkeld. Ik verdenk de vrouw van de kapitein. Maar ook zijn dochter en mijn kinderen eten er lekker van. Aten. Want u las zojuist de noodkreet (ik weet niet of daar een internationale morse-code voor bestaat, zoals voor mayday, maar als dat niet zo is vind ik dat het hoog tijd wordt, pretzels-down, zoiets), en het is best een schone boot, maar niet dusdanig dat je van de kajuitvloer zou kunnen eten. Ik zeker niet, ik proef al teveel van mijn ontbijt van eerder die dag, toen ik nog lekker tussen de winos en de weirdos in Venice Beach vertoefde. Peace man, wanna buy some great skunk...it’ll blow your mind dude!  

Nog geen minuut later, de kapitein heeft nog niet kunnen uitmaken of hij serieus op het pretzelprobleem in zal gaan, klinkt de volgende noodkreet: we maken water. Uitroepteken. Ik zit het dichtst bij het trappetje naar beneden, en zie inderdaad water klotsen. Niet veel, nog niet veel (?), maar mijn dochter loopt al stripboeken te redden, en mijn zoon, prakties als altijd, gordt zijn zwemvestje wat steviger om de magere schoudertjes. De captain’s daughter mompelt nog maar eens haar mantra, de captain’s wife sloopt een kastje om te kijken of het water daar binnenkomt.

Het is een triest gezicht:  honderden pretzels drijvend in het grauwe water, in een donkerbruine kajuit, vier mensen daar omheen die hun voeten krampachtig omhooghouden, en de blik van de kapitein die het drama in ogenschouw neemt. En weet dat deze tocht, de golven-ontmaagding van zijn European friend,  uiteindelijk herinnerd zal gaan worden als de soggy-pretzel-sailing. En dat is ook zo. Zeker omdat we daarna besluiten om te draaien (yeah right, op een zeilboot), en al helemaal niet omdat we toch enigzins gaan hozen, met zo’n pannetje en een emmertje liter na liter water+pretzels aan de oceaan terug te geven. Tot in de haven duurt dit voort, waarna de zon echt doorbreekt, we de boot zonder moeite inparkeren, de landvasten aanknopen (echt, ik zeg maar wat) en een topmaaltijd gebruiken in de tuin van een klein Mexicaans restaurant.

Volgende keer gaan we skieen, dat is namelijk ook niks voor mij.