Dolf Jansen

Columns

Zwembad

Verschenen in Noord Hollands dagblad op

Op mijn tv, op uw tv ook, op elke tv in Nederland denk ik zo, is een fel-blauwe rechthoek ingebrand. Ik weet de afmetingen niet precies, maar dat hangt ook sterk van de omvang van uw televisie-toestel af. Ik heb het over het Aquatic Centre in Sydney, het zwembad dat de afgelopen week zo ongeveer het centrum van de beschaafde wereld was. We hebben dat bad vanuit elke mogelijke hoek mogen zien, van boven en onder water, live, opgenomen, in samenvatting, in slowmotion, met emotioneel commentaar, wild gejuich of een muziekje, het Wilhelmus zelfs, met zwemmers, zonder zwemmers, we kennen elke tegel en elke lijn, de golfjes zeggen ons gedag, het is ons bad, zoals de medailles van Pieter en Inge onze medailles zijn. Een diepte-interview vanuit het bad is eigenlijk het enige dat we nog niet hebben mogen genieten, maar Studio Sport moet nog een week,toch?

Ik heb het zelf niet zo op zwembaden. Voor mijn gevoel heb ik een groot deel van mijn jeugd in die dingen doorgebracht, waaruit vooral blijkt dat je vaak net die dingen onthoudt die je eigenlijk liever zou vergeten. Ik ben geen groot zwemmer, sterker nog, ik ben helemaal geen zwemmer, ik heb al eczeem als ik langs een bad fiets, en als daar nog eens de lucht van chloor en water bijkomt, en het holle en toch schelle geluid van iedereen die al in het water ligt en daar nog de grootste lol heeft ook, slaat mij de angst om het hart. Sinds 1969 ben ik undisputed record-holder zwemles voor de regio groot-Amsterdam, ik heb alleen op de lagere school al drie jaar schoolzwemmen gehad, terwijl de meeste klasgenootjes gewoon binnen drie maanden een diplomaatje of twee pakten, en aansluitend constant en zonder angst ‘van de hoge’ gingen. Ik vond de rand van het zwembad al hoog.

Als de les begon bevond ik mij onder de douche, en als de anderen hun eerste baantjes hadden getrokken bevond ik me eigenlijk nog steeds onder de douche. Dat vond ik namelijk water van een hoeveelheid en een temperatuur die ik kon behappen, plus dat je eronder vandaan kon stappen als dat je uitkwam. Iets dat in een zwembad eigenlijk onmogelijk is, zeker als je de rand al hoog vind. Waar nog bijkomt dat zwemmen nou net een sport is die je zonder bril beoefent, en zonder bril ben ik nog niet de helft van wat ik normaal zou zijn, en ik kan u verzekeren dat wat ik normaal ben, in een zwembroek, al niet zo heel erg veel is. In het bad zie ik niks, hoor ik nauwelijks iets en voel ik slechts angst. Op mijn prachtige borstkas is, voor de liefhebbers, nog steeds, 28 jaar na dato, de afdruk te bewonderen, van de metalen haak waarmee losers als ondergetekende, door het chloorbad werden gesleept. Dat ik uiteindelijk heb leren zwemmen, althans dat ze mij het A-diploma hebben overhandigd met de gemompelde wens of ik me alsjeblieft nooit meer in hun bad of enig bad in de regio wilde vertonen, is een godswonder te noemen. Misschien dat ik daarom zo heb genoten van alle beelden uit het zwembad de afgelopen week: het speelt zich af in een volledige ander universum, zonder breedgebouwde lerares op de kant, zonder haken onder het zwemmende lichaam, en aan het eind krijgen ze een echte medaille in plaats van een diploma en het dringende verzoek op te sodemieteren.

Er was maar een moment dat ik me kon inleven in de situatie daar: toen de Nederlandse estafette-rugslagzwemster, in plaats van te keren, met haar hoofd vol de rand van het bad ramde. Dat leek opeens heel erg op mijn zwemstijl.