Dolf Jansen

Columns

Stil

Verschenen in Noord Hollands dagblad op

Het was stil, eergisteren, rond de voetbalvelden van New Mexico en omstreken. Om precies te zijn in de Northwest Rio Grande Soccer League. Dat zijn zo’n 3000 kinderen die elke zaterdag in competitie-verband tegen een balletje trappen, in de hoop het net van de tegenstander te doen bollen. Of gewoon een doelpuntje maken, dat kan natuurlijk ook. Het was namelijk ‘Silent Saturday’, een dag waarop niemand vanaf de zijlijn mocht schreeuwen, niet naar de spelers, niet naar het arbitrale trio, zelfs niet naar elkaar. Ouders moesten hun mond houden, coaches mochten zelfs hun meest poëtische beledigingen niet uiten (am I now so bright, or are you now so stupid?!). Silent Saturday  moest de sfeer langs de lijnen weer verbeteren, moest de kinderen weer lol geven in het spelletje. Want het schijnt langs het veld nogal eens uit de hand te lopen. Ook hier, in Amerika, waar voetbal in zijn geheel nog niet het belang heeft van zeg één losse veter van Shaquille O’Neal. Ouders schijnen nogal eens enig decorum uit het oog te verliezen, als het gaat om de sportprestatie, of het geheel uitblijven daarvan, van zoon- of dochterlief. Laat staan als de scheids een beslissing meent te moeten nemen die enigszins in het nadeel uitvalt van zijn of haar team. Om over coaches nog maar te zwijgen. Dus dat doe ik.

Toen ik vroeger voetbalde (jazeker, de jaren 70, Ajax won nog wel eens een Europacupje, Oranje speelde totaal-voetbal, en Jansen stond rechtsbuiten bij ODOS, Overwinning Door Onderlinge Samenwerking. Nou heb ik het over pupillenvoetbal en de bijbehorende kluitjes-gedachte, dus samenwerking moet u wat ruim interpreteren. Maar winnen deden we wel eens. En ik stond dus rechtsbuiten, en daarmee zo min mogelijk in de weg. Dat is ook een vorm van samenwerken!), in die tijd dus, had je ook al ouders langs de kant. Fanatieke ouders ook. Scheldende fanatieke je schaamt je je ogen toch uit je kop als dat je moeder is-ouders die altijd gelijk hadden en de  scheidsrechter dus nooit. Waar de bal ook heenging, wat er ook gebeurde in het veld en wie dat ook deed, 5, 6, 7 ouders tegelijk en door elkaar heen gaven advies, aanmoediging, werkten wat ziektes af en vergaten alles wat de Bond tegen het Vloeken ooit beweerd heeft.  Ik liet alles altijd maar over me heen gaan, kende trouwens de meeste van die ziektes niet, en deed of het niet over mij ging als de zin begon met ‘skele’ of ‘hé vier-oog’.

Eén keer schrok ik toch, in die jaren. De vader van onze keeper gaf zijn zoon enig advies aangaande duiken naar een bal en de timing die daar toch bijhoort, iets in de geest van ‘hé slome, als je zo laat duikt kan je je de moeite wel besparen. Dat scheelt je moeder weer was!’  In plaats van dat langs zich heen te laten gaan -de Jansenmethode- gaf zoonlief antwoord, en niet zo’n beetje ook: het begon met het uitgebreid ijdel gebruiken van de naam des Heren, en eindigde met een combinatie van de mond van papa en een ongeneeslijke ziekte. Ik schrok daar zo erg van (dat je zo tegen je vader durft te praten, dat je uberhaupt tegen je vader durft te praten, en dan nog wel in het openbaar) dat ik de rest van die wedstrijd geen bal meer raakte. We wonnen met ruime cijfers.

Volgende week is het hier trouwens weer gewoon motherfuckin’ stinking asshole-Saturday.