Dolf Jansen

Columns

Rough play

Verschenen in Noord Hollands dagblad op

Laat mij beginnen met first things first, zoals dat hoort : de ongetwijfeld historiese overwinning van Oranje op onze Duitse buren, vorige week, weet u nog, heeft in de Amerikaanse pers geen enkele aandacht mogen genieten. Het was dat een van mijn vele broers de moeite nam mij de volgende ochtend, 0700 uur plaatselijke tijd, op te bellen met het heugelijke nieuws, anders had ik weer eens van helemaal niks geweten .

De kranten hier kozen voor ijshockey, en niet zo’n beetje ook. De Bruins, uit Boston, speelden een potje tegen de Canucks, uit Vancouver, want Canadezen mogen hier gewoon meedoen. Met ijshockey. Luttele seconden voor het einde besloot meneer Mc Sorley, een Bruin, zijn stick nog een keer te heffen, fikse zwaai naar achteren, Tiger Woods maar dan 90 graden uit het lood, en toen vol tegen het hoofd van meneer Brashear, een Canuck vanzelfsprekend. Meneer B. ging neer, kop tegen het ijs, want dat krijg je met ijshockey, buiten bewustzijn, concussion en een cut ook nog…out for the count en daarna ook nog wel een tijdje. Het publiek had de jassen al aan en de autosleutels al in de hand , maar ging nog even zitten en bestelde nog een chili-dog (dat is een broodje dat smaakt naar een huisdier uit zuid-Amerika). Want als ijshockeyers gaan vechten is het opeens een nog veel leukere sport. Boksen zou ook leuker zijn op 18 vierkante meter ijs, of is dat al een tv-programma?

Ik ben geen ijshockeyer van huis uit, en daarna mocht het niet van mijn vriendin. Ik ben zelfs geen schaatser. Ik schaats een beetje zoals ik zwem, en hoe ik zwem wilt u vast niet weten. Maar goed, het is mijn column, dus vertel ik het toch: ik zwem schoolslag, de vraag is welke   school, ik ga enigszins in de geplande richting, hoewel ik nauwelijks vooruit kom, en slechts een klein deel van mijn hoofd is zo nu en dan boven het wateropervlak waar te nemen. Mijn mond is daar niet altijd bij. Ik adem niet zo vaak als ik zwem. Vandaar zwem ik niet zo vaak, want ik vind ademen best prettig. Ik doe het al jaren, en het bevalt, maar nu terug naar het zwembad: een vroegere vriendin van me, omschreef mijn zwemmen ooit als ‘een hond die op het punt staat te verdrinken’. Ik zie het in dat geval als een hond uit Santiago, die in de rivier is gedoken om een vreselijk lot als broodjesvulling te ontsnappen, en zich tijdens de duik realiseert dat ie nooit zwemles heeft gehad. Zo zwem ik dus, en erger nog, zo schaats ik dus ook. En dan kan je maar beter niet gaan ijshockyen, lijkt mij.

Mijn angstdroom is dat ik, door een foutje in het sport-systeem, in een wat te grote outfit op een ijshockey-veld of hoe heet dat terecht kom, tegen allemaal hele grote ijshockyers, en dat ik dan de puck toegespeeld krijg en dan twijfel…slapshot, icing, sticking, boarding, hard weghollen (op schaatsen!), en dat ik dan mijn stick enigszins naar achteren beweeg en daardoor mijn laatste evenwicht verlies en mezelf onwaarschijnlijk body-check tegen het ijs maar ook precies op de puck, zodat zowel alle tegenstanders als mijn eigen teamgenoten me bespringen (op schaatsen!) om dat ding te bemachtigen. Ik beeindig die partij, en die droom, met een gebitsbeschermer in mijn huig, twee halve sticks in mijn hol en een lichaams-temperatuur van min 13.

Meneer Mc Sorley scoorde pagina’s krant, en een dag later de langste schorsing uit de historie, en ik begin het langzaam weer een beetje warm te krijgen.