Dolf Jansen

Columns

Tot elke prijs

Verschenen in NocNsf op

De BBC vertoont een documentaire over Tom Simpson, een legendarische wielrenner. Niet zozeer door zijn prestaties, die groot waren (wereldkampioen, gele trui, klassiekers), als wel door zijn dood. Tijdens de Tour van 1967, dertiende etappe, op de flanken van de Mont Ventoux, hitte, uitputting, doping. En dat dan in zwart-wit-beelden, met herinneringen van ploeggenoten van toen, vrienden, wielerkenners, en zijn weduwe. Simpson moest die dag, die Tour, bewijzen hoe goed hij was. Er wachtte een groot Italiaans contract, er wachtte een podiumplek in Parijs die nog nooit door een Britse wielrenner bereikt was. Het moest, het moest. Ondanks die uitputting, nog verergerd door een paar dagen van ziekte een week eerder, ondanks die vreselijke hitte en die helse klim, ondanks het steeds-waarschuwende lichaam. De lach was allang van zijn gezicht verdwenen toen de echte, de beslissende klim begon. Het lichaam begon te weigeren, het bos was al verlaten, de tweede helft van de Ventoux kent alleen maar witte stenen, en die top in de verte. Zo ver, zo hoog. Ik kijk gefascineerd naar de beelden van toen, en denk zo nu en dan aan die ene keer dat ik, niet-wielrenner, maar verder in een heel behorlijke conditie, die klim wist af te maken. En een kilometer onder de top het monument voor Simpson zag, en aan hem dacht. Waren het uiteindelijk alleen nog maar de amfeteminen die hem op gang hielden, die dag in 1967, was het uiteindelijk die doping die hem doodde?

In dezelfde week lees in een stuk in de Volkskrant over een roei-kamp ergens in China. Een plek waar kinderen twee, drie keer per dag keihard trainen , om een plek te veroveren in een selectie die heel heel mischien uitzicht biedt op een uiteindelijk Olympisch optreden, in de zomer van 2008. Het is een schokkend verhaal, vind ik, want het gaat over sport, een van de mooiste zaken die het leven te bieden heeft, maar eigenlijk gaat het over een keihard regime, en kinderen zonder enige lol in wat ze doen, zonder enige vrijheid, trainen onder dwang, en nooit naar huis kunnen (mogen) omdat daar geen geld en geen tijd en geen mogelijkheid voor is. Trainen, weer trainen, nog harder trainen, de coach is de baas over je training, je lijf, je pijn, je leven.

Het zijn momenten dat ik me realiseer hoe mooi sport kan zijn, en hoe vreselijk het gemaakt kan worden.

Maar dan zie ik het interview met de 17jarige PSV-er Ismail Assati, net na zijn internationale debuut, in San Siro, met trillende stem, en verdomd, de woorden ‘het was mijn jongensdroom’, en komt de glimlach weer terug op mijn gezicht.