Dolf Jansen

Columns

Coach

Verschenen in NocNsf op

De laatste paar dagen van de Olympische Spelen mocht ik in Athene doorbrengen, en dat is waarom ik de marathon aldaar zag in een restaurant aan de voet van het oude stadion, samen met wat vrienden uit de atletiek, en de coach van een Braziliaanse marathonloper waar tot op dat moment alleen de echte kenners een belletje bij hoorden rinkelen. Vanderlei Lima, zoiets.

Het was al leuk, daar zitten, vlak naast het parcours (kilometer 42), vlak naast dat stadion dus, en dan nog wel met een clubje mensen dat van bijna elke atleet die op het flakkerende tv-scherm langskwam wist wie het was, hoe hard ie getraind had, wat ie ermee verdiende en hoe zijn vrouw heet. En het werd nog leuker toen de loper ‘van’ de coach naast ons na een kilometer of 20 besloot dat vandaag maar eens zijn dag moest worden. Hij nam de kop, liep weg bij het wereldveld, en leek op weg naar een gouden medaille, een pluk laurierbladeren op zijn hoofd, en eeuwige roem.

Zijn coach, vlak naast me, bleef er vooralsnog erg rustig onder. Hij had net vijf weken met Lima doorgebracht ergens buiten Athene, redelijk dicht bij het parcours, in de heuvels, hard getraind en volledig gefocust op die zondag, op die race. En dit, de versnelling halverweg, het op kop hard doorlopen, de klimmetjes aanvallend terwijl de grote groep afwachtend bleef lopen, dit was allemaal gepland en bedacht. Door hem. Hij keek er niet van op, maar in zijn ogen zag ik tegelijkertijd het vuur branden. Zijn man, zijn atleet deed wat ze bedacht hadden, wat ze gehoopt hadden. En hij kon het, op die dag, op het moment waar het allemaal om ging. Tijdens de mooiste kilometers die je als marathonloper kan afleggen, de Olympische kilometers.

Na kilometer dertig waren er meer aan onze tafel die erin begonnen te geloven, we werden opgewonden,  ook voor hem, de man in het trainingsjekkie naast ons, die op eigen kosten al die weken in Griekenland was, die niet eens een accreditatie had om in het stadio en bij de finish te komen.

Het drama dat zich daarna voltrok heeft iedereen gezien, en meebeleefd, maar in dat restaurant werd  geschreeuwd, mensen sloegen op tafels en vroegen zich met nogal uide stem af wat er nu moest gebeuren. En ging gebeuren. De coach liep vertwijfeld heen en weer tussen de tafels en het tv-scherm, woedend en op hetzelfde moment volstrekt verslagen door wat hij zag. Op alles had hij zijn atleet kunnen voorbereiden, de inspanning, de heuvels, de hitte, de pijn, de tegenslag zoals je die in topsport tegen kan komen, op alles, maar niet op een godsdienstwaanzinnige met sterke armen.

Uiteindelijk wonnen ze samen brons, en wist hij met veel moeite zijn eigen atleet te bereiken in de catacomben van het stadion. De vreugde overheerste bij de atleet, van de coach weet ik het nog zo net niet. Maar wat er gebeurde, wat ik zag, gaf me wel een beetje inzicht in hoe volgens mij een coach, een goede coach, in elkaar zit. Gefocust, natuurlijk, met alle kennis die nodig is voor het leveren van de prestatie op het moment dat dat moet, maar vooral en mischien wel allereerst volledig betrokken. De atleet moet de prestatie leveren, maar in al zijn denken en doen en kijken en voelen is de coach ermee bezig. Er bij betrokken. Hij kent de pijn en de opofferingen, hij gunt zijn atleet het allerbeste, het allerhoogste. En dan zou het wel eens zo kunnen zijn dat de atleet het, op het moment supreme, ook een beetje voor hem doet. Omdat je de vreugde van het resultaat het allerbest kunt delen met degene die het niet alleen mede bewerkstelligd heeft, maar ook heeft meegemaakt, meegevoeld, meebeleefd.

De nieuwe technisch directeur Charles van Commenee wil de coaches centraal stellen. Ik denk dat hij gelijk heeft.