Dolf Jansen

Columns

De studentenflat

Verschenen in Havana op

Toen ik net zeven was, beste Shannon, zetten mijn ouders mij in een stevige kartonnen doos bij een lantaarnpaal in de hoop dat iemand anders de zorg voor het bleke baasje over zou nemen. Ik wist me los te rukken en middels het touwtje dat uit de brievenbus hing (foutje, papa!) terug te keren in de warme gezinsboezem. Een paar jaar later hebben ze me nog eens aan een boom halverwege de Veluwe vastgebonden, maar toen ze terug kwamen van twee weken Vlieland stond ik gewoon weer voor de deur. Met de rafels touw nog tussen mijn voortanden. Op mijn achttiende besloot ik zelf het heft in handen te nemen en te vertrekken. Met slaande voordeur, maar dat kwam door de wind. Ik ben niet rancuneus, plus het lijkt mij ook niet makkelijk om met mij in een huis te moeten wonen.

Ik ging studeren, aan een universiteit nog wel, en dus was een studentenflat de meest voor de hand liggende plek om mijn leven van uitslapen, hardlopen en masturberen voort te zetten. Maar, soms is het leven mooi, we woonden vlak bij een straatje dat al jaren slooprijp was en een paar maanden voor mijn vertrek was besloten daar huisjes voor eenpersoons-huishoudens te gaan bouwen. (Singles waren toen nog schijfjes van vinyl die je op 45 touren afdraaide op een platenspeler, waarna de muziek uit de boxjes schalde). Ik kreeg zo’n huisje toegewezen en mijn oudere broer kwam aan de overkant van het straatje terecht. Met al snel zo’n (gestolen) Amsterdammertje in de hal om al zijn leren jacks overheen te hangen.

Een paar maanden later wist ik zeker dat een studentenflat nooit mijn plek zou kunnen zijn, kwa wonen. Ik kwam namelijk, opeens, meerder malen per week in de Zilverberg. Het Uylenstede van Amsterdam-noord. Of nee, gewoon een paar vrij afzichtelijke betonnen blokkendozen waar studenten de gang deelden met andere werkschuwen en ontspoorden. En een van die kamers was ‘in gebruik genomen’ door RVZ, Radio Vrij Zilverberg inderdaad, een radiopiraat waar mensen met liefde voor popmuziek die muziek illegaal de ether inslingerden. Ik had een sleutel, ik wist hoe de zender aanging, ik wist hoe de weinige apparatuur die we hadden werkte en ik kon thee zetten middels het koffiezetapparaat. Wat een mooie tijd, wat een goede radio, en wat was ik elke keer weer blij dat ik daar niet woonde en dus ook nooit die puinhoop die zich keuken noemde zou hoeven te betreden. Om over schoonmaken nog maar te zwijgen.