Dolf Jansen

Columns

Winterswijk

Verschenen in Fondsen.org op

We rijden naar Winterswijk. Dat is best een eind, behalve als je toevalligerwijs in Aalten woont.

Nou is het een prachtige dag, na-nazomer, zon, (of, zoals Kees van Kooten eens zei ‘als dit het broeikaseffect is...waar moet ik tekenen?’), en het is nog gezellig in het busje ook. Met mijn band, onderweg naar weer een Dolfdurft!, weer een avond waarin ik probeer cabaret te vermengen met rock’n roll en poezie, en het onderwijl te hebben over een paar zaken die me echt bezighouden, een paar vragen te stellen waarop ik echt het antwoord niet weet.

Na een reis van zo’n 82 uur, althans, dat is wat ik er ’s avonds in de voorstelling van maak, bereiken we de Storm. Niet dat het weer nou opeens is omgeslagen, maar zo heet de schouwburg van W. Kopje thee, stukje soundcheck, wandeling naar het centrum ter versteviging van de inwendige mens. Na vier nondescripte straten en een Rabobank met triestig fonteintje in de voortuin zien we een gebouw dat ons opvalt, dat ons raakt. Groot, hoog, dito dito ramen, een beetje kasteelachtig, maar dan op alle plekken robuust en rechthoekig, geen tierelantijnen, maar sterk en stoer en toch niet zwaar of overheersend. Oke, ik ben geen architectuur-journalist, maar je probeert es wat. Te beschrijven. Een mooi gebouw, een opvallend gebouw. Het blijkt het gemeentehuis, of het raadhuis, of het stadhuis zelfs, dat soort benaming verspringt een beetje per regio.

Als we na het eten, grote borden vol gezonde Hollandsche Pot, echt waar, teruglopen, en net voordat we nog verdwalen in een van die eerdergenoemde nondescripte straten, sta ik nog even stil bij dat grootse pand. Het is ondertusen bijna donker geworden, de halve maan hangt aan de blauwe Gelderse lucht, en in het gemeentehuis branden grote bollen licht aan de hoge plafonds. Ik zie hout en glas en bogen van staal, en verbaas me even over de kennelijke werktijden van de ambtenarij te W.

Een half uur voor de voorstelling tref ik in de artiestenfoyer de plaatselijke radio-maker. Tevens postbode, moppentrommel en allround-ouwehoer. Met een petje. Hij heeft, heel vriendelijk, wat gebeurtenissen uit de regio voor me achter elkaar gezet, ‘mischien leuk voor je voorstelling!’ Tot mijn verbazing begint hij gelijk over het nieuwe gemeentehuis, de mogelijke plekken, en de kosten dienaangaande. Wat blijkt: het prachtige gemeentehuis waar ik bij stilstond voldoet niet of niet meer of is te klein of weetikveel, er moet gebouwd en veranderd en vernieuwd worden. Het moet meer, het moet groter of anders, of alledrie. En het zal zeker zo zijn dat de vroede vaderen van W., als ik ze zou spreken, me zouden kunnen duidelijk maken waarom dat zo is, en dat het in dit pandje echt niet maar gaat enzoverder (en anders de bouwondernemer die het mag gaan maken wel), maar ik zie er toch iets symbolieks in: we hebben al zoveel, maar we willen steeds meer en dan nog meer, het moet anders, het moet nog groter en nog meer en nog glimmender, en daar moet bijna alles voor wijken. En we zien ook allang niet meer wat we hebben, hoe mooi dat is, en hoe prachtig het al zou zijn als we dat wisten te bewaren, te beschermen, te gebruiken op een goede manier.

 

nb Deze column verscheen wat te laat op de site, dat is geheel en al aan mij te wijten, maar het komt toch vooral omdat ik laatst naar Winterswijk heen en weer moest, en dat is gewoon ruim een week pure reistijd, vandaar.