Dolf Jansen

Columns

Stel je voor

Verschenen in Fondsen.org op

Ik probeer het, maar het lukt me niet.

 

Het is vrijdagmiddag, ik kom thuis uit Hilversum waar ik een radioprogramma heb gemaakt, heb besproken wat er op 7/7 allemaal staat te gebeuren en ook nog door de bossen heb kunnen hardlopen. Lekker. Mijn vriendin was een paar uur in de stad, bij een bruiloft. Onze kinderen zijn van school gekomen, om te gaan voetballen tussen de buien door, om met vriendinnen te gaan repeteren aan een rap die ze gaan uitvoeren op het zomerfeest. Als ik ons buurtje binnenloop, altijd ergens tussen wandelen en joggen in, hoor ik geschreeuw om de hoek. Een groep van vijf, zes mannen in gevechtskleding is een huis binnengedrongen. Als ik verscholen achter een geparkeerde auto toekijk zie ik hoe ze de vrouwen die daar wonen tegen de grond slaan en daarna drie mannen mee naar buiten sleuren. Twee van hen zijn verstijfd van angst, een verzet zich maar heeft geen kans. In de voortuin worden ze neergeschoten, alledrie, kogel in het hoofd, kogel in de nek. Een van de schutters spuugt op de lijken, een van de anderen roept nog iets dreigends naar de vrouwen in de deuropening. Dertig seconden later zijn de schutters verdwenen en daalt er een vreemd soort stilte over de huizen.

Ik hol door naar mijn huis, waar de mooiste dochter van de wereld net aan een nieuwe (oude) Kameleon is begonnen. We drinken samen thee. Ze vertelt me over de rap en het bijbehorende dansje, mijn zoon komt inclusief bal en modderschoenen binnen, roodgewangd en moe, iets later ook mijn vriendin. De bruiloft was mooi, ze kijkt naar me met een

blik die iets van me wil. Iets vraagt. Wat...? Een ring, een aanzoek, een kopje thee?

Mijn broer belt, vanuit de stad. Het is een klein wonder dat hij er doorheen kwam, want meestal zijn de telefoonlijnen dood. Dat is eigenlijk al maanden zo. Hij vertelt dat de twee groepen, de mannen die hetzelfde geloof aanhangen maar toch elkaars grootste vijand lijken en blijken te zijn, weer slaags zijn geraakt. Het begon bij zijn buren, waar gemaskerde mannen binnendrongen en zijn buurman van vier hoog naar beneden wierpen. Dood op straat, omdat hij bij de andere club hoorde. Of leek te horen. Binnen tien minuten nam zijn club wraak door een gebedshuis binnen te dringen en daar in het wilde weg rond te schieten. Mijn broer vertelt dat hij alles heeft gezien vanuit zijn raam op de tweede etage, maar dat hij zich schuil heeft weten te houden. Hij maakt zich zorgen over vrouw en kind, hij vraagt zich af of ze wel met zijn tweeen over straat kunnen, hij weet niet waar ze zijn, weet niet wat hij moet doen, of hij iets moet doen...

Ik stel hem wat gerust - hij heeft een pittige vrouw die zich echt  niet laat tegenhouden door wat mannen met een grote bek en een halfautomatisch wapen – en zeg dan dat ik ga hangen want wij zouden nog even op pad. Met zijn vieren. Verderop in het dorp is een nieuw restaurant geopend, aan het water, en de zon schijnt weer, dus we willen wel eens kijken of ze ook vegetarisch uit de culinaire voeten kunnen. Als we langs de school fietsen zien we in de verte drie pantservoertuigen van het leger dat al een jaar of twee hier rondrijdt om waar mogelijk de vrede te bewaren, de wederopbouw te bevorderen. Ze spreken een andere taal, maar het zijn vriendelijke jonge mensen. In uniform, maar nooit verscholen achter spiegelende zonnebrillen of hoge scherpe hekken. Ze lopen tussen ons, de bewoners, ze praten met iedereen, ze spelen soms even met de kinderen. De middag loopt ten einde, ik denk dat ze onderweg zijn naar de basis, net buiten het dorp. Kunnen ze even douchen, uitrusten van een dag patrouille en spanning, wellicht even bellen of MSN-en met huis en familie, vierduizend kilometer verderop. Zoals altijd hollen zes, acht, tien buurtkinderen een stuk met het voorste pantservoertuig mee. Ik herken een jongetje uit de klas van mijn dochter. Zij ziet hem niet, of wil hem niet zien, daar, nu. Zo gaat dat als je een oogje op iemand hebt, op haar leeftijd. Op het moment dat wij linksaf slaan in de richting van het restaurant, zie ik in de verte een auto tevoorschijnkomen. Plotseling, met hoge snelheid. Ik zie een man achter het stuur, ik hoor de motor loeien, ik knijp mijn ogen half dicht tegen de laaghangende zon en zie dan de auto in volle snelheid naar het eerste pantservoertuig rijden. De kinderen hebben niks door, de soldaten wel, maar te laat. De klap is oorverdovend, mijn dochter fietst van schrik haar voorwiel tegen mijn achterwiel, we vallen net niet. Ik stop, help haar weer op gang en kijk dan nog even in de verte. Stofwolken, brand, rook, staal, een gat in de weg, de muur van de school half ingestort. En soldaten die proberen  het bloed te stelpen, van de kinderen op de grond, van hun maatjes. Wij fietsen door, wij leven door. Ditmaal.

 

Ik probeer het me voor te stellen, maar het lukt me niet.

Het is, inderdaad, onvoorstelbaar.