Dolf Jansen

Columns

Water, water everywhere...

Verschenen in Diversen op

Voorjaar 1980, althans, als ik me dingen niet alleen weet te herinneren maar ook nog op het juiste moment weet te plaatsen. Ik denk het wel. Waar nog bijkomt dat het preciese moment niet zo van belang is. Het gaat, nu even, om wat ik meemaakte. En wat ik leerde, die warme aprildag.

Marathon Amsterdam werd toen nog in die maand verlopen, en omdat er ook een halve marathon was, stond ik aan de start. Voor mijn eerste halve, ook nog eens. Ruim 21 kilometer, bijna 17 jaar jong. En warm dus. Te warm.

Vanuit het centrum van Amsterdam naar Amstelveen, via Berlagebrug en Amstel en Nesserlaan en...of was dat 1984, toen ik mijn eerste hele marathon ook al op die plek wilde gaan volbrengen?  Ja, Kalfjeslaan, daar gingen we rechtsaf, en daarna een heel stuk langs zo’n doorgaande vierbaanstraat die gewoon schreeuwde om een sneltram. De viaducten waren de enige plekken die mij, en de duizenden andere lopers, even koelte brachten. En de dorst nam toe. Dat kwam: ik durfde niet te drinken. Ik was ervan overtuigd dat ik daar misselijk van zou worden, en ik had het zonder enige misselijkheid eerlijk gezegd al moeilijk genoeg. Liep zo’n vier minuten per kilometer – ik had geen idee, maar dat heb ik later eens teruggerekend – en was eerlijk gezegd ook niet ech gewend aan een graadje of 24. Met weinig wind.

Ik denk dat ik eerder dat jaar, in Egmond, waar ik iets van zeven kilometer door de duinen stoof, wel gedronken had, en dat dat niet goed gevallen was. Ik denk dat ik had besloten dat mijn lichaam niet tegen de combinatie hardlopen-drinken kon. Ik liep een warme halve marathon zonder enige toevoeging, vochtsgewijs. En stukjes banaan of sinasappel, daar moest ik al helemaal niet aan denken!

En er was nog iets: ik had het verhaal gehoord dat er, bij een eerdere marathon-editie, jongvolwassenen langs de weg hadden gestaan met heerlijke bekers vol verkoelend water, dat vele lopers daar ook gebruik van gemaak hadden, totdat ze een paar kilometer later bemerkten dat dat water zo snel mogelijk weer uit hun lichaam wilde, en de Amstel in. Terug de Amstel in. Waar het inderdaad door de lolbroeken zonder enig atletiekgevoel eerder was uitgeschept. Dat zou mij niet overkomen, ik dronk geen druppel... Ik redde het, die dag, 1 uur 25 of daaromtrent, en was nog zeker een halve dag hondsberoerd. Mijn lichaam was zo uitgedroogd dat zelfs het klotsen van een kopje thee in mijn buurt voldoende was voor een stukje braken. Om over bouillon, appelsap en vele andere liefdevolle moeder-pogingen nog maar te zwijgen.

In de vele jaren erna probeerde ik van alles, water, sportdrank, andere sportdrank, maar niks voelde goed. Laat staan dat het me, bijvoorbeeld in de laatste acht kilometer van de marathon, iets extra gaf. Kwa kracht, kwa energie.

En toen kwam Ad van Hest, mijn coach-op-afstand, een jaar of vier geleden met ‘slappe cola’. Cola zonder prik, water, wat zout. Smaakt heel redelijk, ik hou het binnen, ik krijg vocht en suikers (en een legale dosis caffeine!) toegevoegd, en ik loop er heel erg aardig op.

Gisteren liep ik een kilometer of 18, tempoduur. Mijn dochter, 10, fietste in de buurt. En stopte drie, vier keer om papa van zijn drankje te voorzien. En ik geef toe, dan smaakt mijn wonderdrank het allerbest.