Dolf Jansen

Columns

Vrijheid

Verschenen in Algemeen Dagblad op

Mijn dochter kent de tekst van vele vele televisie-commercials uit haar hoofd. Banken, automerken, yoghurtdranken, het maakt haar niet uit, ze praat de tekst letterlijk mee. Gelukkig weet ze wel, dankzij een stukje opvoeding van mijn kant, dat reclame een combinatie van leugens en mooie beelden is (sex is ze nog niet aan toe), dus ze gelooft niks. Maar vindt wel veel mooi. Of leuk. Dan roept ze ‘papa, deze is echt grappig!’ en zit ik mee te kijken naar twee b-acteurs die zich door een sketchje heenwerken, in de hoop dat ik dan direct aansluitend die hypotheek neem, me naar die supermarkt spoed, of dat merk sportkleding aan mijn ranke lichaam drapeer. Heel soms moet ik ook lachen, maar dat is meestal uit een soort van beleefdheid (als naast je een meisje van bijna acht ligt te kronkelen naast de bank, dan wil je wel...), of om mijn wanhoop of ergernis te maskeren.  En dat laatste wordt, merk ik, door twee dingen vooral veroorzaakt: het gezwollen stemgeluid waarmee van alles wordt aangeprezen (er schijnen radiostations te zijn waar geen andere stemklank te horen is) en het constante gebruik van het woord ‘vrijheid’. Alsof je vrijheid kunt bekomen door juist die ene aanschaf te doen. ‘Echt niet!’, zou mijn dochter zeggen.

Als Houdini zich liet ketenen, net voor hij diep onderwater verdween, kreeg hij de sleutel van de boeien van zijn vrouw, bij de  laatste zoen, in de mond. Dankzij die zoen, dankzij die sleutel, kon hij zich onder water losworstelen. Echt vrij was hij als hij de boeien los had gewerkt, maar nog even wachtte, voor hij weer naar boven zwom. Hij kon naar boven, maar hij deed het nog niet. Hij wachtte nog even. Dat is vrijheid.