Dolf Jansen

Columns

Dankie en orevwaar

Verschenen in 42 op

(20 dagen op de Antillen)

 

Het is natuurlijk fantastisch dat je na een lange reis uiteindelijk altijd je bestemming bereikt, en zeker zo fantastisch als  die bestemming een prachtig huisje op Lagoen Hill, Bonaire is, een huisje met van die metalen wieken aan het plafond die de zware lucht wat voor je rondwaaieren, een huisje met voldoende bedden en een keukentje en een ruime stenen veranda (nog zo’n waaier!) en twee douches maar liefst, en een tv ook, door een van mijn vele kinderen meteen aangezet, naar direct blijkt op een televisiekanaal dat Nederlanders in welke Vreemde dan ook tracteert op programma’s van hun eigen en de Vlaamse tv, prachtprogramma’s die ze anders zouden hebben moeten missen, tijdens hun verblijf in Kaapstad of Wellington of Key Biscaine of Bonaire zelfs. En wat blijkt gelijk die avond wereldwijd vertoonde te worden? Cabaret. Uitroepteken. En wel het meest recente soloprogramma van Lebbis, Wellcome to paradise. Nou is Lebbis de man aan wie ik alles te danken heb, en andersom zeker ook, en wil ik echt alles van hem zien alsook niks missen, maar ik vind dit wel een mooie aanleiding om  mijn eerste Antillen-traininkje eens aan te vangen. Ik bedoel, ik heb de dvd al. En het loopt tegen de avond, en daarmee tegen het plots-invallende aardedonker, zo is mij vantevoren door ervaren tropengangers verzekerd. ‘Je moet gaan lopen een uur voor zonsondergang, dan wordt het wat koeler, en ben je net terug voor het echt donker is’.

Dat zijn tips, daar heb je wat aan, als je wist a. hoe laat zonsondergang is b. waar je heen moet lopen (en weer terug) en c. wat ‘wat koeler’ blijkt te betekenen. Aah, al doende leert men, en ik heb drie weken op de Antillen voor de boeg, en veel warmer dan nu zal het toch niet worden. Dacht ik op dat moment, op die vrijdagavond 7 januari tegen zessen. En terwijl ik dat laatste dacht klonk ergens in de verte een lange aangstaanjagende holle lach...was het in de heuvels verderop, was het de geest van Jan Pelleboer, zat het in mijn hoofd? Was het wel een lach? Zou het echt nog warmer kunnen worden?

 

Een duurloopje van drie kwartier, dat leek me een goed idee. Hier het park uit, en dan rechtsaf naar de kust (linksaf is ook naar de kust, trouwens, net als rechtdoor. Bonaire is niet zo gek groot). Een weg, beetje kronkelend, bijna vlak, en dus een slechts minimale kans op verdwalen of uitputting. Dat bleek aardig te kloppen. Ik bereikte de kust, een soort baaitje, met een houten optrekje waar lokale mannen zich laafden aan bier of alcoholica anderszins, en trof mijn eerste hond. In de verte, nog, maar dichtbij genoeg om de baai de baai te laten, en om te keren.

Ik merk dat alles wat kan zweten aan mijn lijf dat ook doet, waarna de wind direct alles wegblaast of verdampt. En, nogmaals, het is al bijna avond, het is ‘koel’, ik hoor met dit tempo helemaal niet te zweten. Toch? Of hoorde ik daar weer die holle lach...?

 

De volgende dag bleek dat B niet altijd warm is, of eigenlijk dat het soms zomaar opeens regent. Terwijl het warm blijft. Er verschijnt, boven het strandje waar we liggen, een diepgrijze wolk, de wind die altijd waait neemt nog wat toe en opeens regent het, waar het tien minuten eerder nog gewoon 29 graden en strakblauw was. Deze Bonairse bui blijkt serieus genoeg om mijn gezin uit hun snorkels te verjagen, ik besluit een wat serieuzere duurloop te beginnen, na me omgekleed te hebben achter onze pickuptruck, wind, striemen regen en echt niet minder warm dan het was. Helaas stopt de regen net zo snel als ze begon. Waarom, waarom blijft ze niet wat langer, voor een klein stukje afkoeling van de atleet?

Ik loop langs de kust, in de richting van de vuurtoren, en de zoutmeren, links de bizar-blauwe oceaan, voor me het asfalt met hier en daar een scheur of een serieus gat, rechts het wat desolate, droge land. Langs de door hitte zo aangetaste weg tref ik een paar keer een soort standbeeldjes, monumentjes, opgetrokken uit duikschoentjes en resten snorkel, een slipper soms, een zwembroek, wat stenen en drijfhout. Het doet me denken aan kleine momumentjes langs een ook al hete weg in Arizona, waar ik een jaar of zes geleden trainde. Die waren volledig uit stenen en steentjes opgestapeld, verschillende kleuren, soms maar een metertje hoog, en naar ik later hoorde door plaatselijke indianen gemaakt. Ter herdenking, herinnering, tijdverdrijf...? Zoals wij in Nederland sinds een aantal jaren de ‘bermmonumentjes’ hebben, meestal ter nagedachtenis aan  iemand die het verkeer niet overleefde, zoals de Mont Ventoux het monument heeft voor Tom Simpson (bidons, startnummers, tubes, petjes, shirts, een fietsschoentje), zo heeft deze weg op Bonaire zijn plekken waar duikers hun herinnering achterlieten. Voor andere duikers, voor een hardloper met zweet in zijn ogen. Na een minuut of tien, en tien minuten later weer, tref ik onze gezins-truck, en daarmee wat slokken water, en dat is maar goed ook. Wind en warmte zorgen voor ongekend vochtverlies, en op dat moment heb ik het tempo al wat opgevoerd, en weet ik nog niet dat er flamingo’s gefotografeerd dienen te worden, zodat ik ze pas na ruim een uur (anderhalve liter transpiratie later, denk ik zo) weer tref.

Een van de boeken die ik tussen de trainingen door op onze veranda lees is de autobiografie van Paula Radcliffe, inspirerend en mooi verteld. Neem alleen al het bijna-jaarlijkse drama van het volgende grote kampioenschap waar ze weer net naast de medailles grijpt, omdat haar snelheid (weer) net niet voldoende is om in de laatste ronde tiepjes als Wami, Adere of Ribeiro achter zich te houden. Gisteren las ik over Sevilla, WK .... , 40  graden in het voorbereidende trainingskamp, tegen de dertig op de dag van de wedstrijd. Er gebeurt dan iets met, in je lichaam, je verliest kracht en souplesse, en de geest zegt op een bepaald moment ook dat het wel mooi is geweest, en geeft je niet meer de inspiratie, de drive die je nodig hebt om op zijn minst het tempo vast te houden. Lopen wordt werken, werken wordt zwoegen, en tempo wordt veredeld joggen. Voor mij dan, Paula loopt gewoon 30-hoog op de tien, en wordt weer vierde. Nog goed dat ik niet voor tienduizenden op die baan in Sevilla loop, maar op een verlaten weg op Bonaire.

Ik tref een vrouw-van-hier die vers-gevangen vissen staat te villen op een bruggetje, en een kilometer of vijf later kom ik net het enige gezin tegen dat we al hebben leren kennen hier op het eiland, uitbaters van toprestaurantje met schaduw-terras le Flamboyant, en vandaag genietend van hun enige vrije dag van de week. Een paar dagen later zal hij me beleefd vragen of ik dit vaker doe, bij dertig graden langs de zoutmeren hardlopen, met een gezicht als een meloen. Oke, een afgetrainde meloen.

Iets verderop kronkelt de weg vlak langs een strandje waar frisse jongens en meisje (snorkelaars? vliegeraars?) elkaars hormonen aftasten, en tussendoor even de tijd nemen mij wat humoristies toe te roepen. Het zout bijt in mijn ogen, mijn zonnebril kan eerlijk gezegd allang niet meer op tegen de Caraibische zon, maar ik voel me ook goed (trots? blij?) dat ik het doe, dat het lukt. En dat gaat dan nog maar over een duurloop van een kilometer of 16. Plus ik heb op dat moment nog geen idee van de hitte (en de training) die ik twee dagen later tegen ga komen.

Vijf minuten later hoor ik, eindelijk, een Toyota vol met flamingo-foto’s naderen, ze schrapen me uit de berm, ik klok rustig maar vastberaden een liter water en sportdrank weg, en

we eindigen op Pink Beach, tussen gebruinde mannen met grote zwarte borstelsnorren en lederen zwemtanga’s die...oh nee, ook alweer volstrekt verlaten. Wat zand, wat golven, wat stenen en een palm. Herstellen, dat is het woord.

De dag erna zet dat zich nog even voort, met een herstelloopje van dertig minuten, vanaf weer een ander strand, en deels over een wat-verlaten weg met een bord aan het begin ‘Betreden op eigen risico’, zonder enige verdere vermelding waarom, of wat dat risico zou kunnen gaan behelzen. Voor mij genoeg reden het tempo nog iets naar beneden te schroeven, zodat ik elke volgende bocht kan ‘verkennen’ voordat ik erdoorheen-loop. Jog. Hobbel. Herstellen, dat is het woord, nogmaals, en je eigen risico verkleinen, dat lijkt me ook van belang. Ik voel me goed, ben klaar voor de dinsdag. De dag dat ik mezelf ga tegenkomen. En luister svp zelf even of je een holle lach hoort...

 

Achteraf bedenk ik me dat deze dag, deze training, een bordje had moeten hebben met iets over betreden en eigen risico, maar zo zit het leven nou eenmaal niet in elkaar. Mijn leven zeker niet. Het idee vandaag was tweeledig: wat eerder op de dag lopen, zodat ik me verder niet druk hoef te maken over oplopende temperaturen en schaduwplekken, en een eerste tempo-programmaatje. Nog niks spectaculairs (2 min/4 min/2 min/4 min/2 min), ik heb een paar maanden van rustig duurlopen achter de rug, maar toch het idee dat de opbouw naar iets van vorm, iets van snelheid ook, weer wordt ingezet. Dit tweeledige idee betekent uiteindelijk dat ik rond 12 uur des middags ga lopen (eerder in de ochtend wordt er ontbeten, krijgen onze vele kinderen les, wordt er gezocht naar zwembroekjes en zonnecreme factor 35), 12 uur ’s middags, la hora loco zegt men hier. En vaak hoor je daar achteraan dan inderdaad een soort holle lach. Er loopt, vanaf het strand vlak bij het vliegveld, een asfaltweg dwars over het eiland, met weinig verkeer en precies nul bomen om enige schaduw te bezorgen. Ze zijn hier op Bonaire niet echt van de bomen, cactussen kan je krijgen, en prikstruiken van anderhalve meter hoog, en verder zet je maar een petje op of ga je lekker siesta-en tussen 12 en 2, oke?

Nee dus, ik loop wat in (warmlopen zou wat flauw klinken) en doe op de genoemde weg twee versnellinkjes en zet mijn klokje weer op nul en doe mijn eerste tempo. Gaat eigenlijk best lekker, de spieren zullen wel goed los zijn. Ik twijfel alleen over mijn petje, ik bedoel, als ik ‘m op heb bescherm ik mijn hoofd tegen de felle stralen van bovenaf, maar als ik ‘m niet opheb kan er meer warmte ontsnappen via mijn bezwete koppie... Ik weet het niet. Doe mijn tweede tempo. Herstel-jog weer wat, draai om en begin aan mijn derde. Zon nu achter me, mijn nek brandt (petje andersom dus), het lichaam kan nog heel wat hebben, maar je voelt ook dat je langzaam maar zeker verliest van de omstandigheden, je verliest vocht, veel vocht, en moet harder werken om het tempo te houden. Ik ben omgedraaid niet om een gelijkmatige tan te ontwikkelen, maar om nog twee keer langs onze pickuptruck te lopen, waar ik een fles water heb staan. Tijdens het vierde tempo kom ik vol in de wind(-tegen) te lopen, en zelfs zonder hartslagmeter voel ik mezelf in het rood gaan. Het zal wel lijken op wat een 400meter-loper geregeld na ruim 300 meter meemaakt, en het is allesbehalve  prettig. Voel ik. Eigenlijk ga je in een keer van hard werkend doorlopen  naar pijn en uitputting, van aardig doorlopen naar het gevoel dat de benen alle kanten opgaan behalve de afgesproken...je klapt in elkaar, bijkans. Precies op het moment dat dit zich aan en in mijn lichaam aandient komt een peleton vrolijke fietsers me tegemoet, ik denk Nederlanders, ik denk groepsreis, ik denk ‘dat wordt lachen...’ En omdat ik daar nu even niet aan moet denken sla ik meteen weer rechtsaf, een dirtroad op, richting donkey shelter, ja, dat is een opvang voor ontheemde ezels, gewoon even niet verder vragen, ik heb het moeilijk genoeg. Langs dezelfde weg ligt ook nog een ‘Steenbrekerij’ en daarvan kun je je ook afvragen waarom ze die stenen breken, en waarom ze die keien niet lekker met rust laten, en dat zijn ook goede vragen, maar nu dus even niet. Al was het maar omdat er tussen 12 en 2 echt niks gebroken wordt, daar, en die ezels ook heel goed weten wat een siesta is. Een paar minuten later bereik ik alsnog de fles water in de achterbak, en zie ik iets verderop mijn gezin liggen, natgezwommen, ingesmeerd, uitgerust.

Als je (zo) hard traint, of het jezelf zo moeilijk maakt, wil ik altijd het gevoel hebben dat de anderen weten wat je aan het doen bent, waarom je dat doet, eigenlijk wil je dat ze ook iets voelen van wat jij voelt, zodat ze mee kunnen leven. In het uur van zo’n training als vandaag voel ik zoveel, kom ik zoveel tegen (vooral mezelf, dus), dat het moeilijk voor te stellen is dat de anderen, degenen waar je bijhoort, daar helemaal niks van weten, niks van merken, eigenlijk nauwelijks merken dat er weer een uur voorbij is. Het is een gevoel dat ik ook ken van een zware wedstrijd, zelfs als je wordt aangemoedigd weet je nog dat ‘zij’ niet weten wat je doormaaakt, wat je voelt, en wil je zo graag dat ze dat wel voelen.

Waarom? Wil ik dat ze trots zijn? Wil ik dat ze beter begrijpen wat er met me gebeurt? Wil ik dat ze, al is het maar even, voelen wat ik voel na 37 kilometer op de marathon? Zoek ik bevestiging, of wil ik gewoon dat iemand even de pijn  wegneemt, de pijn die ik vooral mezelf doe. En waarom doe ik dat toch ook alweer...?

Het laatste tempo lukt nog net, het water is te laat en te weinig, denk ik, en uitlopen lijkt joggen op eierschalen. Het grootste verschil is dat de wind nu wel voor een beetje afkoeling zorgt, in plaats van voor een extra barriere. Nog zeker een half uur na de training blijft het lichaam vocht verliezen, maar uiteindelijk lig ik in dan toch in de lauwe branding van Bonaire. Verderop schijnen verpleegsterhaaitjes te zwemmen. Ik zoek mijn handdoek weer op. En de zachte handen van mijn dochter die mijn rug insmeert.

‘Lekker gelopen, papa?‘

’Ja, maar het was wel heel erg zwaar vandaag’

‘Ik heb een gele vis gezien, wel zo groot, en hij bleef vlak onder me zwemmen...echt vet!’

Oke, toch nog een mooi moment voor de loper op zoek naar erkenning, of wat dan ook: op het moment dat ik, twijfelend, wat moeizaam, de golfjes betreed, zegt mijn lief vanuit het water ‘wat een lijf!’. En dat gaat over mij. Dat moet toch liefde zijn...

 

Ik werk aan mijn lijf, realiseer ik me de volgende dag, als ik, zoals elke dag, op een spreitje op de vloer van onze slaapkamer lig, om de oefeningen te doen die mijn bovenbenen en rug en buik en bekken sterker moeten maken, die me eindelijk af moeten gaan helpen van de problemen die ik nu al jaren met (in) mijn linkerdij heb, en voel. Eigenlijk ben ik ook een soort bodybuilder, alleen niet op zoek naar omvang (en anabolenspuit), maar naar lange spieren en sterke pezen en ribbels in mijn buik en daar dan nog graag wat lenigheid bij, dat zou helemaal mooi zijn! Waarbij ik natuurlijk altijd alles au naturel heb gedaan, al was het maar vanwege de bijwerkingen. Ik bedoel, ik blijf het raar vinden dat je iets zou slikken of spuiten waar je een heel erg gespierd lichaam van krijgt, maar ook twee ballen als rozijntjes. En dus lig ik elke ochtend mijn oefeningen te doen, hijg en puf en kreun waar nodig, zie wegens volstrekt gebrek aan vet(laag) met gematigde trots allerlei spiermassaatjes en pees-partijen, en loop verder wijdbeens door het leven om mijn ballen de ruimte te geven die ze verdienen...sorry, mijn fantasie en de temperatuur alhier spelen op, ook als ik gewoon aan mijn toetsenbord zit, om te vertellen van hardlopen op de Antillen. Gek eigenlijk, als ik heel even over mijn ballen spreek, klinkt nergens die holle lach...

 

De hersteltraining van de volgende dag bracht me niet echt herstel, de duurloop van de volgende volgende dag ging weer een stuk lekkerder, al was het maar omdat ik door begin te krijgen dat je in deze omstandigheden echt rustig moet beginnen. Echt rustig, 13 per uur ofzo in mijn geval, het lichaam wat laten wennen, een beetje zoals de Kenianen (als die al bestaan) naar het schijnt al hun trainingen beginnen, wat joggen, beetje harder, beetje harder, en tegen de tijd dat het lijf helemaal doorheeft wat de bedoeling is loop je gewoon weer lekker 19 per uur. Op 2100 meter boven zeenivo. Of, in mijn geval, 16 per uur over wat lichte glooiinkjes in de buurt van Rincon. Ik tref weer de landgenoten van le Flamboyant en merk een paar dagen later, op het vliegveld onderweg naar Curacao, dat het Nederlandse leger me ook actief heeft gezien. Of de marechaussee, of wellicht gewoon een man die een uniform van een waslijn had gejat. Er blijkt hier op het eiland zelfs een soort site te zijn die ‘bekende’ landgenoten ‘spot’, en dus sta ik nu naast iemand die ooit in een huis met heel veel camera’s woonde, en waar ik in elk geval nog nooit van gehoord heb. Ik hoop zij ook niet van mij.

Weer een hersteltraining, en een rustdag ook, zodat ik nog een keer echt hard kan trainen, hier. Bij Lac Bay heb ik, onderweg van toprestaurant KonTiki naar weer een bijna-verlaten strandje, een dirtroad ontdekt waar je met de auto de schokdempers kan testen, maar waar het me goed hardlopen lijkt. En ik ben toe aan zes keer een snelle kilometer, met een flesje drinken ergens achter een paaltje, en op het perfecte tijdstip ook, tussen vijf en half zeven. De zon geeft een prettige zomer-warmte, de weg kent vele kuilen maar is goed te doen, de vijf honden van de kajak-uitbater zitten achter een stevig hek, en het tempo is goed. Denk ik. Er begint iets van kracht te komen, nu nog wat meer snelheid en meer duurvermogen en die eerder genoemde lenigheid, en de VO2max omhoog en geen pijn meer in mijn bovenbeen, en niks staat een topjaar in de weg! De weg leidt alleen maar naar dat uithoekstrandje, en dus verbaast het me dat ik nog geregeld een auto tref, vol vrolijke Antilliaanse gezinnen meestal. Als ik uitgelopen en leeg dat strand bereik zie ik hoe het hier zit, op de late zondagmiddag: een soort kruising tussen strandfeest en barbeque en volleyball-wedstrijd en reunie (van de vorige zondagen, denk ik), ik zie bier en bikini’s, ik hoor veel gelach en keiharde caseco (dat is muziek waarop je perfect de billen kunt laten rollen, maar er hard doorheenpraten mag natuurlijk ook), ik word zelfs nog even toegejuicht door de aanwezigen. Tien minuten later zit ik zonder enige caseco van dien  met mijn magere billen in de lauwe zee, met een fikse fles sportdrank aan de lippen. Morgen richting Curacao...

 

Daar tref ik al snel wat meer heuvels, en wat minder echte hitte. Of zou ik er al een beetje aan beginnen te wennen..? Wind is trouwens ook hier in overvloed aanwezig, neem bijvoorbeeld de eerste anderhalve kilometer van bijna elke training: vanuit ‘de villa’ naar beneden, proberen rustig te joggen terwijl de weg voor je naar beneden tuimelt, voorbij de slagboom nog wat stijler naar benee, dan linksaf de weg op, flauwe bocht naar links, van de oceaan af, waarmee ik vol in de wind kom, en aan een klim van 800 meter begin. Binnen zes minuten ben ik dan iets te hard naar beneden gegaan, vol in de wind gekomen, heb ik een klimmetje getroffen waar ze tussen Nijmegen en Groesbeek trots op zouden zijn, en heb de harde overgang gemaakt tussen een houten huis met veel schaduw en natuurlijke ventilatie (de wind die overal doorheenwaait) en een temperatuur van 26 graden, zon op het bolletje in overleg.

Het leukste van deze weg, langs de oceaan en de haven, is dat elke avond van half zes tot zeven daar honderden en honderden wandelaars, vooral, en brisk walkers, en joggers ook, verschijnen, om in de koelte van de vooravond iets cardio’s te doen. Kwa gezond, kwa afvallen vaak ook. Een colonne van Antillianen wandelt, sjokt of jogt daar door, soms in groepjes, vaak alleen, en allemaal met de trek op het gezicht van iemand die door heeft dat het lichaam een machine is die onderhouden dient te worden. De tweede week van ons verblijf was het verkiezingsweek op de Antillen, en dus liepen velen in een shirt van Anthony Goddett of Charles Cooper, of een van de anderen die nu echt een oplossing voor corruptie en stilstand beloofden. (Ik heb in de bijna 27 jaar dat ik loop nog nooit iemand in een t-shirt met Balkenende zien hardlopen; anderzijds heb ik wel eens hardgelopen met zowel de Hoop Scheffer als Rosenmuller, samen. Het kan dus wel...).

 

Op, of bij, Westpunt, vindt mijn gezin feilloos een strandje met snorkelpotentie, en trekt papa de Nikes maar weer es aan. Op de kaart zag ik dat er een weggetje vlak langs de oceaan kronkelt, zodat je na een paar kilometer van Westpunt langs Noordpunt bent  (dat moet je op Groenland eens proberen), waarna die weg doorloopt, naar het zuiden, steeds maar met de oceaan mee. Leek me mooi, blijkt prachtig. Een rode-modder-weg, weer, soms prachtig vlak alsof het God’s eigen tartan was, dan opeens weer een paar honderd meter hobbels, gaten en vergeten rivierbeddinkjes. Soms hele stukken vlak en snel, soms klimmetjes, afzinkjes en maar hopen dat het snel weer wat vlakker wordt. Typies zo’n plek, zo’n gebied, zo’n weg waar je heerlijk loopt al je je sterk voelt. Ik voel me sterk, deze dag, en zeker terug, met de wind in de rug, vlieg ik richting Noord- en Westpunt. Vandaag had ik er Zuidpunt ook nog wel bij kunnen hebben. Denk ik.

Curacao leert me trouwens dat het ook echt kan regenen, op de Antillen. Tijdens een duurloop vanuit ons resort (niet mijn natuurlijke habitat, heb ik gemerkt, maar het was voor ons geboekt door de mensen die me naar het eiland gehaald hebben, om op een zaterdagavond op het strand op te treden ter vermaak van vele roodverbrande vakantievierende landgenoten, mariniers, stagiares en pensionado’s) krijg ik binnen het uur maar liefst drie tropiese buien op mijn pannetje, en dan regent het echt. Hard, en veel. Een wankele autobus vol scholieren passeert me op het hoogtepunt van een van die buien, en binnen dertig seconden word ik toegelachen, mild-beledigd en keihard uitgelachen. Maal veertig. En dan onverstoorbaar, en doornat, doorlopen...dat kunnen alleen de hele groten. Maar mij lukt het ook, deze dag. Tien minuten later schijnt de zon weer door en over alles heen, en word ik een soort stoomwolk die hardhijgend de bijna-laatste heuvel beklimt.

Ik kan het aan, de regen, de zon, de heuvels...maar een aanval op lijf en goed blijk ik nog tegoed te hebben.

 

De dag na dat strandoptreden onder prachtige sterrenhemel,  met rustig-ruisende branding in de rug, en palmen naast het podium, met de hele band en crew en aanhang naar Daaibooibaai. En dat zou papiemento kunnen zijn voor ‘plek langs de zuidkust waar de golven zo sterk zijn dat stenen van vele kilo’s geregeld door de branding gejaagd worden.’ In de dagen voor het optreden waren we zo’n beetje allemaal, een voor een, even heel erg geveld door een soort van virus, sinds twee dagen loop ik weer, enigzins, nu vind dat ik maar es hersteld moet zijn, en laat me dus  voor een serieuze duurloop afzetten aan de rand van een natuurgebied, PortoMari, ooit een plantage, zoals bijna alles op dit eiland, nu een gebied waar ecotourisme wordt bedreven. Ergens rechts van de weg richting strand zou zich een trail bevinden, de lengte is me niet duidelijk, maar ik denk dan altijd ‘als je omdraait en teruggaat was je dus halverwege’. En dat klopt, behalve natuurlijk als je erin slaagt op de terugweg de terugweg kwijt te raken. Waarmee tevens de oorsprong van de veel-te-lange-duurloop duidelijk is gemaakt. Dat overkomt me niet, deze bijna-laatste dag op Curacao, maar wel dit: ik heb weer iets van tempo gevonden, en kachel dus lekker over het goedbegaanbare modderpad. Soms denk ik dat ik zweef. De zon schijnt en verdomd, daar motregent het ook alweer. Ik loop recht naar een volledige regenboog toe, als ik de pot met goud zou willen, kon ik zowel links- als rechtsaf gaan. Ik heb geen goud nodig, ik loop.

Tien minuten later weet ik het tempo nog iets op te voeren, totdat ik opeens wordt besprongen.

Wat zeg je nou...?

Besprongen, ja, echt waar...ik voel een scherpe steek in mijn rechterknieholte, kijk in full speed onder mijn arm door naar beneden, en zie daar iets hangen, kronkelend, vastgebeten in mijn knie en hamstring. De gil heeft mijn mond al verlaten (als je gilt in de wildernis, en er is niemand die het hoort, heb je dan wel gegild?) en in een soort reflex sla ik het...whatever het is van mijn been, en versnel. Voor het geval het nog broers heeft, of anderszins wraak wil. Het doet pijn, zeker wel, ik heb het idee dat er gaten in mijn been zitten, oke, gaatjes, maar vermengd met de schrik lijkt het allemaal een stuk erger. Ik denk ‘eng insect’, ik denk ‘gif’, ik denk ‘straks ga ik tegen de grond en heeft het grote enge agressieve insect tijd om niet alleen zijn broers, maar zijn hele familie, inclusief aangetrouwd, naar mijn bibberende lichaam mee te tronen. Om me nog veel meer te prikken!’ Het tempo zo hoog mogelijk houdend weet ik de asfaltweg te bereiken, daar blijkt de schade te bestaan uit een bloedspoortje vanuit mijn knieholte, en een stuk of tien naaldjes(?), splinters(?), enge puntige dingetjes(!) in mijn been. En een verstijvende hamstring. Het valt me alleszins mee dat ik niet ergens vanaf de plantage de lach hoor die me nu al weken achtervolgt. Hol. Hard. Die lach waarvan ik pas op de laatste dag hier zal uitvinden waar hij vandaan komt, en waarom hij gelachen wordt.

 

De laatste dag op de Antillen, even een half uurtje loslopen. Ik vind wat sportvelden, en zelfs een soort atletiekbaan. Een grasbaan, best groen, best vlak, perfect voor wat ik deze laatste dag nog even wil doen. In een van de bochten staat een groepje van vier, vijf plaatselijke atleten. Felle shirts, strakke tights, zonnebril hier, kek mutsje daar. Het zou een rapcrew kunnen zijn, maar die rekken meestal niet langdurig de spierbundels in de bovenbenen, laat staan dat ze versnellinkjes doen met de snelheid van een bromfietsje. Op gras! Ik draai mijn rondjes, en voel dat mijn hamstring de aanval van een dag eerder overleefd heeft. Het is nog wat stijvig, maar dat kan ook de oplopende trainingsomvang van de afgelopen 20 dagen zijn. De zon verwent ons weer, en dus doe ik nog wat self-designed oefeningen, zittend op het gras. Een van de snelle mannen slentert mijn kant op.

‘Hey man’.

‘Hoi’.

‘Alles goed?’

‘Lekker...zonnetje, beetje trainen’.

‘Jij ben mager, man. Echt mager!’

‘Ja, ik ben lange afstandsloper, marathons...’

‘Ooh shit man, marathons, dat is ...dat is een fukkin end man!’ ‘Jaa, 42 kilometer, ruim.’

‘En nou train je op Curacao...voor 42 kilometer hardlopen?’

‘Ja’.

Hij kijkt me aan, en ik zie zijn gezicht rimpelen in de richting van een hele grote Antilliaanse lach. ‘Respect man’, zegt ie nog, en loopt dan naar zijn maatjes om te vertellen wat ik aan het doen ben. En hoe ver dat zo’n beetje is.

Ik ben weer opgestaan en om nog een paar rondjes te joggen. Maar nog voor ik eraan kan beginnen, klinkt uit de groep een lach, een harde grote massale holle lach. Een je ben echt stapelgek man als je op de Antillen komt trainen voor de marathon-lach. Een lach die over de grasbaan schalt, in mijn hoofd weerkaatst, en dan zijn weg zoekt over alle heuvels, baaien, strandjes en dirtroads van de Antillen. Ik steek mijn hand op naar de mannen, en jog weg. Zo cool mogelijk.